AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring wegens meerderjarigheid en onttrekkingsrisico
De minister van Asiel en Migratie legde op 29 september 2025 aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op, evenals een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij minderjarig is en dat de minister ten onrechte geen leeftijdsschouw heeft verricht. De rechtbank oordeelt dat eiser geen bewijs van minderjarigheid heeft geleverd en dat de minister terecht uitgaat van meerderjarigheid vanwege wisselende geboortedata en aliassen in verschillende landen.
Eiser voerde verder aan dat het gehoor voorafgaand aan het besluit onzorgvuldig was en dat hem ten onrechte geen vertrektermijn werd gegund. De rechtbank stelt vast dat de minister geen aanleiding had tot nader onderzoek naar schrijnende omstandigheden en dat het onttrekkingsrisico voldoende is onderbouwd met zware en lichte gronden. Ook het beroep op artikel 8 EVRMPro wordt verworpen, omdat eiser niet aannemelijk maakt dat zijn privéleven onevenredig wordt aangetast.
Ten aanzien van de maatregel van bewaring stelt eiser gebreken in het voortraject en onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting. De rechtbank oordeelt dat deze klachten betrekking hebben op eerdere procedures en dat de minister voldoende voortvarend handelt. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De beroepen tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.48628 en NL25.48594
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025
in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. K. Ramdhan),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2025 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met behulp van een beeldverbinding verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Over bestreden besluit 1 (het terugkeerbesluit en inreisverbod)
1. In het bestreden besluit 1 stelt de minister vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft. De minister gunt eiser geen vertrektermijn, omdat volgens de minister een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister vermeldt, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van
het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De voorbereiding van bestreden besluit 1
Leeftijdsschouw
2. Eiser voert aan dat hij minderjarig is. Dit heeft hij ook verklaard in het gehoor voorafgaand aan het opgelegde terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring. De minister gaat ervan uit dat eiser meerderjarig is, maar heeft geen leeftijdsschouw uitgevoerd. Volgens eiser is dat onzorgvuldig.
2.1.
De rechtbank stelt eerst vast dat eiser niet met documenten onderbouwt dat hij minderjarig is. In paragraaf A2/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat:
(…) Als de vreemdeling stelt minderjarig te zijn maar dit niet met bewijsmiddelen kan onderbouwen, kan de ambtenaar belast met de grensbewaking, dan wel de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, een leeftijdsschouw uitvoeren. (…)
2.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om een leeftijdsschouw te verrichtten. De minister wijst er namelijk terecht op dat eiser in verschillende landen is geweest, en daar verschillende geboortedata heeft opgegeven. Zo heeft eiser in Italië verklaard dat hij in 2005 is geboren en in Nederland heeft hij in 2022 in het kader van een strafrechtelijk gehoor verklaard dat hij in 2006 is geboren. Als wordt uitgegaan van deze jaartallen, is eiser meerderjarig. Uit het afwijzende claimverzoek van de Zwitserse autoriteiten [1] blijkt verder dat eiser met verschillende aliassen staat geregistreerd waarbij niet alleen de geboortedata verschillen (die wijzen op minder- én meerderjarigheid), maar ook de voor- en achternamen. Gelet op deze wisselende verklaringen was het eerst aan eiser om zijn gestelde minderjarigheid met stukken te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan.
2.2.1.
Eiser staat in Oostenrijk geregistreerd als minderjarig, met [geboortedatum] 2008 als geboortedatum. De rechtbank oordeelt dat de minister hierin geen reden heeft hoeven zien om toch een leeftijdsschouw te verrichtten. Nu eisers wisselend heeft verklaard over zijn leeftijd komt aan deze registratie geen zwaarwegende betekenis toe. Bovendien is achteraf, na de inbewaringstelling, door de Oostenrijkse autoriteiten op 6 oktober 2025 bericht dat eisers registratie in Oostenrijk enkel is gebaseerd op zijn verklaring. Een leeftijdsonderzoek heeft daar niet plaatsgevonden, omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Dat op grond van de minderjarige registratie in Oostenrijk is besloten de Dublinprocedure te staken maakt het voorgaande niet anders. Dit betreft immers en andere procedure met een ander toetsingskader.
2.2.2.
De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij mag uitgaan van eisers meerderjarigheid. Het lag om die reden op de weg van eiser om zijn gestelde minderjarigheid te onderbouwen. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door geen leeftijdsschouw te verrichtten. De beroepsgrond slaagt daarom niet. Eiser heeft in beroep verwezen naar verschillende arresten en wettelijke bepalingen waaruit volgt dat de minister de belangen van het kind moet meenemen in zijn besluitvorming. Omdat de minister mag uitgaan van de meerderjarigheid van eiser zijn deze niet van toepassing. De rechtbank zal deze dan ook onbesproken laten.
Het gehoor
3. Eiser voert aan dat het gehoor voorafgaand aan het nemen van bestreden besluit 1 onzorgvuldig is geweest, omdat onvoldoende is (door)gevraagd naar eisers verklaring dat hij wees is en is opgegroeid in weeshuizen.
3.1.
Eiser beroept zich op artikel 6, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Op grond van die bepaling kan de minister afzien van het opleggen van een terugkeerbesluit als sprake is van een schrijnend geval. Eisers maakt met zijn enkele stelling dat hij wees is en is opgegroeid in weeshuizen niet aannemelijk dat hier sprake van is. De minister heeft hierin dan ook geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek. De beroepsgrond slaagt niet.
De inhoud
4. Eiser heeft tijdens de zitting de beroepsgrond laten vallen die gaat over het niet toepassen van de Dublinverordening.
5. Eiser voert aan dat hem ten onrechte geen vertrektermijn is gegund. Uit het bestreden besluit 1 volgt niet waarom sprake is van een onttrekkingsrisico.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat het onttrekkingsrisico volgt uit de zware en lichte gronden die in bestreden besluit 1 zijn vermeld. Eiser bestrijdt deze gronden niet. Uit artikel 62, tweede lid, onder sub a, van de Vw 2000 volgt dat de minister eiser een vertrektermijn mocht onthouden. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
6. Eiser betoogt dat sprake is van een (ongerechtvaardigde) inbreuk op zijn recht op respect voor zijn privéleven als bedoeld in artikel 8 vanPro het EVRM. Eiser wijst hierbij op de arresten van Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, Boultif t. Zwitserland [2] en 18 oktober 2006, Üner t. Nederland. [3]
6.1.
De rechtbank oordeelt dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat sprake is van een (ongerechtvaardigde) inbreuk op eisers recht op respect voor zijn privéleven. De door eiser genoemde arresten gaan kort gezegd over een belangenafweging die gemaakt wordt als sprake is van uitzetting van een gevestigde migrant en waarbij openbare-ordeaspecten een rol spelen. Dat is in eisers geval niet aan de orde. Daarom gaat het beroep op de arresten niet op. Voor zover eiser wijst op zijn verklaring dat hij een weeskind en minderjarig is, verandert dit het oordeel niet. Eiser maakt niet aannemelijk op welke manier zijn recht op respect voor zijn privéleven wordt geschonden als ervan uit wordt gegaan dat eiser een wees is. Verder geldt dat de minister niet uit hoeft te gaan van eisers gestelde minderjarigheid. De rechtbank wijst daarvoor naar overwegingen 2 tot en met 2.2.2. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie
7. Wat eiser aanvoert tegen bestreden besluit 1, slaagt niet.
Over bestreden besluit 2 (maatregel van bewaring)
8. In bestreden besluit 2 stelt de minister zich op het standpunt dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft de minister dezelfde lichte en zware gronden gehanteerd als die hierboven zijn genoemd bij bestreden besluit 1.
Voortraject
9. Eiser voert aan dat er gebreken zijn in het voortraject. Eiser is op een ondeugdelijke grondslag strafrechtelijk staande gehouden en aan de daaropvolgende ophouding kleven ook gebreken.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser op 17 september 2025 strafrechtelijk is aangehouden en op 19 september 2025 in bewaring is gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000. Deze maatregel is op 29 september 2025 opgeheven en omgezet naar de voorliggende maatregel, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
De door eiser gestelde gebreken gaan over het voortraject van de voorgaande maatregel, en niet over het voortraject van de voorliggende maatregel. De rechtbank kan daar in deze procedure geen oordeel over geven. Wat eiser aanvoert had hij daarom aan de orde moeten stellen bij een beroep tegen de voorgaande maatregel. Voor zover eiser stelt dat hij zich niet goed heeft kunnen verweren, verandert dit het oordeel niet. Eiser had dit eveneens aan de orde moeten en kunnen stellen bij het beroep tegen de voorgaande maatregel. Dit beroep heeft hij echter ingetrokken. De beroepsgrond faalt.
Grondslagwijziging
10. Eiser voert aan dat niet bekend is op welke moment de Zwitserse en Oostenrijkse autoriteiten het claimverzoek hebben afgewezen en waarom de voorgaande maatregel van bewaring pas op 29 september 2025 is omgezet.
10.1.
De rechtbank overweegt dat wat eiser aanvoert neerkomt op de vraag of de voorgaande maatregel tijdig is omgezet. De rechtbank kan daarover in deze procedure geen oordeel geven. Wat eiser aanvoert had hij aan de orde moeten stellen bij een beroep tegen de voorgaande maatregel. [4] Daar komt bij dat tussen partijen niet in geschil is dat een eventueel te late omzetting zich zou beperken tot enkele dagen. De enkele omstandigheid dat een voorgaande maatregel van bewaring enkele dagen te laat is omgezet, houdt op zichzelf geen ernstige schending van het recht om in vrijheid te worden gesteld in en maakt daarom de daaropvolgende maatregel niet zonder meer onrechtmatig. [5] De beroepsgrond faalt.
Gronden van de maatregel
11. Eiser heeft de zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd onbetwist gelaten. Deze gronden samen zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.
Leeftijdsschouw
12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen leeftijdsschouw heeft verricht. De rechtbank oordeelt dat deze beroepsgrond niet slaagt en verwijst hiervoor naar overwegingen 2. tot en met 2.2.2..
Voortvarend handelen
13. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
13.1.
De minister licht toe dat op 2 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en op 3 oktober 2025 een aanvraag is gedaan voor een laissez-passer bij de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding voor het oordeel dat de minister niet voortvarend aan eisers uitzetting werkt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
14. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]
Conclusie
15. Wat eiser aanvoert tegen bestreden besluit 2, slaagt niet.
Over de beroepen
16. De beroepen tegen de bestreden besluiten zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.van 24 september 2025.
2.ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300.
3.ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099.
4.De rechtbank verwijst in dit verband naar ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:67.