ECLI:NL:RBDHA:2026:3250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
NL25.57409
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRMWet RA 9262Artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Filipijnse vrouw wegens onvoldoende aannemelijke vrees

Eiseres, van Filipijnse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met het argument dat zij vanwege haar bekering tot de islam, haar familie en (tweede) ex-partner vreest voor vervolging en geweld. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en herhaalde het eerder opgelegde terugkeerbesluit.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de vrees van eiseres gebaseerd is op vermoedens en niet op concrete feiten. De verklaringen over negatieve houding van haar familie en bedreigingen door haar ex-partner zijn onvoldoende om een reëel risico aan te nemen. Ook is er een binnenlands vestigingsalternatief in de BARMM-regio, een door moslims geleide regio.

Verder is vastgesteld dat de minister een actuele beoordeling van het non-refoulementbeginsel heeft gemaakt, waarbij is meegewogen dat bescherming bij de Filipijnse autoriteiten mogelijk is. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat de aanvraag terecht is afgewezen. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijke vrees.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57409

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], eiseres,

geboren op [datum 1],
V-nummer: [nummer 1],
mede namens haar minderjarige kind:
[naam 2],
geboren op [datum 2],
V-nummer: [nummer 2],
beiden van Filipijnse nationaliteit
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiseres, als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Zij is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de Filipijnen te vrezen heeft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 21 mei 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 18 november 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is het aan eiseres en haar zoon eerder opgelegde terugkeerbesluit herhaald.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. [2] Op het verzoek zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, mr. M.E. Buijsse als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft eerder op 9 augustus 2021 in Nederland asiel aangevraagd. Hieraan had zij ten grondslag gelegd dat zij in de Filipijnen te vrezen heeft vanwege de werkzaamheden en verdwijning van haar vader in 2008. De minister heeft deze problemen niet geloofwaardig geacht en de aanvraag afgewezen bij het besluit van 2 maart 2022. De rechtsmiddelen die eiseres hiertegen heeft aangewend, hebben niet tot het door haar gewenste resultaat geleid. [3] Bij besluit van 21 maart 2024 is aan eiseres en haar zoon een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is aangezegd dat zij dienen terug te keren naar de Filipijnen. Het hiertegen ingediende beroep heeft eiseres ingetrokken. [4]
3.1.
Eiseres heeft aan haar opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij bekeerd is tot de islam. Eiseres stelt te vrezen voor haar familie en (tweede) ex-partner vanwege deze bekering, vanwege haar hier geboren zoon van een andere Arabische partner en vanwege huiselijk geweld in het verleden. Eiseres heeft verklaard dat zij niet gescheiden is van haar (tweede) ex-partner, maar dat zij uit elkaar zijn. Ook heeft eiseres verklaard dat haar familie negatief staat tegenover moslims en dat zij in het verleden door haar (tweede) ex-partner is mishandeld en bedreigd. Eiseres heeft verklaard dat zij door de gebeurtenissen uit het verleden getraumatiseerd is. Ter onderbouwing van de bekering zijn foto’s overgelegd en een certificaat van bekering. Ook is een brief van de afdeling Medische Psychologie van het Isala ziekenhuis overgelegd.
3.2.
De minister heeft de volgende asielmotieven aangemerkt:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres;
  • de bekering tot de islam en
  • het ondervonden geweld door de (tweede) ex-partner van eiseres.
3.3.
De minister acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar niet zwaarwegend. De geloofwaardigheid van de overige asielmotieven heeft de minister in het midden gelaten. De minister heeft zich daarover op het standpunt gesteld dat, ook al zouden de verklaringen geloofwaardig worden geacht, deze niet tot internationale bescherming leiden. De minister acht de door eiseres gestelde vrees niet aannemelijk, omdat zij deze enkel heeft gebaseerd op haar eigen vermoedens. Ook zou eiseres bescherming kunnen inroepen bij de Filipijnse autoriteiten en is sprake van een vestigingsalternatief in de Bangsamoro Autonomous Region in Muslim Mindanao (BARMM). Dit betreft een door moslims geleide regio, die in 2019 door de centrale overheid is opgericht. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat het een opvolgende aanvraag betreft die inhoudelijk is beoordeeld. [5] Daarbij is het eerder opgelegde terugkeerbesluit herhaald.
3.4.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen. Op wat namens haar in beroep is aangevoerd gaat de rechtbank hierna in, voor zover dat van belang is.
Beroepsgronden die eiseres heeft laten vallen
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres op zitting het betoog dat de minister haar verklaringen ten onrechte niet op geloofwaardigheid heeft beoordeeld, heeft laten vallen. Eiseres heeft erkend dat uit rechtspraak van de Afdeling [6] volgt dat de werkwijze waarin de minister enkel de zwaarwegendheid van een asielmotief beoordeelt, niet onzorgvuldig is. [7] Eiseres heeft in dit verband terecht gesteld dat uit deze rechtspraak ook volgt dat bij de rechterlijke toetsing van het standpunt over zwaarwegendheid, het ervoor moet worden gehouden alsof de minister de geloofwaardigheid van de verklaringen heeft aangenomen. De rechtbank stelt in het verlengde hiervan vast dat eiseres op zitting ook het argument dat zonder een geloofwaardigheidsbeoordeling geen binnenlands vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen, heeft laten vallen. Wel heeft zij gehandhaafd dat niet van haar kan worden verlangd om zich te vestigen in de BARMM.
Het verschil tussen geloofwaardigheid en zwaarwegendheid
5. Eiseres heeft op zitting eerst aangevoerd dat niet langer relevant is of haar vrees op concrete feiten of een vermoeden is gebaseerd, omdat het ervoor moet worden gehouden dat haar verklaringen over haar vrees geloofwaardig zijn.
5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in dit betoog. Dat van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres dient te worden uitgegaan, betekent niet zonder meer dat de door eiseres gestelde vrees aannemelijk is. Dat zou anders betekenen dat nimmer een beoordeling van geloofwaardig geachte verklaringen hoeft plaats te vinden, terwijl uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de beoordeling van een asielaanvraag twee te onderscheiden fasen kent. [8] In de eerste fase worden de feiten en omstandigheden vastgesteld (geloofwaardigheid) en in de tweede fase wordt beoordeeld of deze feiten en omstandigheden reden zijn om een asielvergunning te verlenen (zwaarwegendheid).
De zwaarwegendheid van de drie asielmotieven
6. Eiseres heeft ten tweede betoogd dat haar vrees niet enkel gebaseerd is op een vermoeden, omdat zij heeft verklaard dat haar familie een hekel heeft aan moslims en omdat zij een zoon heeft bij haar (tweede) ex-partner. Het feit dat zij haar familie en haar (tweede) ex-partner niet heeft geïnformeerd over haar bekering of zoon met een nieuwe partner, is volgens eiseres een bevestiging van haar vrees. Ten derde heeft eiseres gesteld dat de minister ten onrechte enkel naar algemene informatie heeft gewezen, waaruit zou blijken dat in de Filipijnen bescherming mogelijk is. De minister had moeten onderzoeken of de autoriteiten in de praktijk daadwerkelijk bescherming bieden. Volgens eiseres blijkt uit het NAPWPS rapport [9] dat er lacunes in bescherming bestaan. Ter onderbouwing heeft eiseres gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 13 mei 2025. [10]
6.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de afkomst van eiseres uit de Filipijnen op zichzelf niet voldoende is voor vluchtelingschap.
Is de vrees gebaseerd op feiten of een vermoeden?
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het tweede betoog niet slaagt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij te vrezen heeft om door haar familie te worden vervolgd, dan wel dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade in verband met haar (tweede) ex-partner. De minister heeft namelijk niet ten onrechte gesteld dat deze vrees blijkens de verklaringen van eiseres gebaseerd is op haar eigen vermoedens.
6.2.1.
De rechtbank stelt met de minister vast dat eiseres enkel heeft verklaard dat haar familie christelijk en vastbesloten is, en een hekel heeft aan moslims. Ook heeft eiseres verklaard dat zij laatstelijk in 2018 door haar (tweede) ex-partner is bedreigd en dat hij recent niet nog tegen haar heeft gezegd dat hij samen met haar wil zijn. Daaruit volgt niet zonder meer dat eiseres daadwerkelijk voor hen te vrezen heeft. Eiseres heeft niet verklaard dat zij door haar familie is bedreigd vanwege haar bekering, of dat haar (tweede) ex-partner naar haar op zoek is. De omstandigheid dat eiseres hen niet heeft verteld over haar bekering of haar derde kind met een derde partner, bevestigt enkel dat eiseres vermoedt dat zij negatief zullen reageren. Dit is een inschatting van eiseres en geen feitelijk gegeven.
6.2.2.
De stellingen van eiseres dat tijdens de relatie vóór 2018 sprake was van fysiek geweld, en dat de zoon van eiseres bij haar (tweede) ex-partner een reden kan zijn om contact te zoeken en haar te bedreigen en mishandelen, laten onverlet dat sprake is van een vermoeden. De rechtbank benadrukt in dit verband dat uit rechtspraak van het EHRM [11] volgt dat de bescherming van artikel 3 van Pro het EVRM [12] een hoge drempel kent en dat sprake moet zijn van substantiële gronden die eiseres aannemelijk dient te maken. De enkele mogelijkheid van een schending is onvoldoende. [13] De minister heeft het vermoeden onvoldoende mogen achten, omdat eiseres haar individuele vrees hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt. Al om deze reden heeft de minister het tweede en derde asielmotief onvoldoende zwaarwegend mogen achten.
Is bescherming mogelijk in de Filipijnen?
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank slaagt ook het derde betoog niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres bij voorkomende problemen bescherming kan inroepen bij de Filipijnse autoriteiten. Daartoe heeft de minister terecht gesteld dat uit algemene landeninformatie blijkt dat bekering tot de islam in de Filipijnen niet strafbaar is en vervolging op grond van religieuze overtuiging dat wel is. [14] Ook heeft de minister terecht gesteld dat uit algemene informatie blijkt dat gendergerelateerd geweld strafbaar is gesteld in de Filipijnen en dat slachtoffers beschermingsbevelen kunnen krijgen. [15] De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat dit getuigt van een overheid die bescherming zou kunnen en willen bieden.
6.3.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in de enkele stelling dat de minister nader moest onderzoeken of in de Filipijnen daadwerkelijk bescherming wordt geboden, nu eiseres deze algemene informatie niet inhoudelijk heeft weerlegd of betwist. Dat volgens eiseres uit het NAPWPS rapport volgt dat sprake is van weinig maatschappelijke bewustwording en een beperkte samenwerking tussen overheid en maatschappelijke organisaties, acht de rechtbank onvoldoende. Hieruit volgt namelijk niet dat de autoriteiten geen bescherming bieden. De verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2025 slaagt om dezelfde reden niet, omdat de betrokkene in die zaak met algemene informatie had onderbouwd dat sprake was van beperkte toegang tot justitie en dat corruptie veel zaken beïnvloedt. Ook zijn de Filipijnen, anders dan Sierra Leone in die zaak, wel aangemerkt als een veilig derde land. [16]
6.3.2.
Voor zover eiseres op zitting nog heeft gewezen op haar verklaringen over corruptie en macht in de Filipijnen, heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiseres hiermee in weerwil van de algemene informatie niet aannemelijk heeft gemaakt dat het in haar individuele geval bij voorbaat zinloos of gevaarlijk is om bij de autoriteiten om bescherming te verzoeken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in de verwijzing naar haar verklaringen over een aangifte na de verdwijning van haar vader, omdat in rechte vast staat dat deze verklaringen niet geloofwaardig zijn. Eiseres had namelijk tegenstrijdig verklaard in verband met het doen van aangifte en over de ontvangen bedreigingen.
Over het beschermingsalternatief
7. De rechtbank is reeds gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister de asielmotieven onvoldoende zwaarwegend heeft mogen achten. Nu niet aannemelijk is dat sprake is van gegronde vrees voor vervolging, is geen binnenlands vestigingsalternatief vereist. [17] De tegenwerping van de minister en de beroepsgronden van eiseres in dit verband behoeven daarom geen bespreking, omdat zij niet aan het voorgaande afdoen.
Beroep op beleid “eerdere confrontatie met wandaden”
8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de minister ten onrechte niet ambtshalve heeft beoordeeld of zij in aanmerking komt voor een vergunning op grond van opgelopen trauma in het verleden. Eiseres heeft verklaard dat zij in de Filipijnen getraumatiseerd is als gevolg van bedreigingen in verband met de werkzaamheden van haar vader en vanwege de behandeling van haar (tweede) ex-partner. Ook is er een medische verklaring waaruit blijkt dat eiseres nog steeds lijdt aan de gevolgen daarvan. Ter onderbouwing is gewezen op een uitspraak van deze rechtbank van 23 december 2021. [18] In dit verband is ook gewezen op de eerder genoemde uitspraak van 13 mei 2025.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat de beroepsgrond, op de verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2025 na, een herhaling is van de zienswijze. De minister is in het bestreden besluit hier gemotiveerd op ingegaan. De minister heeft daarin niet ten onrechte gesteld dat in deze opvolgende asielaanvraag geen ambtshalve toetsing plaatsvindt aan het beleid over eerdere confrontatie met wandaden. [19] Ook heeft de minister inhoudelijk gemotiveerd dat wat er ligt aan verklaringen en stukken, onvoldoende is. De enkele herhaling van de zienswijze is geen gemotiveerde betwisting van het bestreden besluit en kan daarom niet slagen.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verwijzing naar de uitspraak van 13 mei 2025 evenmin kan slagen. In deze zaak is namelijk geoordeeld dat sprake was van eerdere wandaden door een actor waartegen de overheid geen bescherming kon of wilde bieden. Gelet op overweging 6.3 en verder, heeft de minister echter niet ten onrechte gesteld dat eiseres bij voorkomende problemen de autoriteiten in de Filipijnen om bescherming kan verzoeken. Het betoog slaagt daarom niet.
Het terugkeerbesluit en non-refoulementbeginsel
9. Eiseres heeft tot slot op zitting aangevoerd dat de minister ten onrechte het gedateerde terugkeerbesluit van 21 maart 2024 heeft herhaald, maar geen actuele beoordeling heeft gemaakt van het non-refoulementbeginsel. Ter onderbouwing is gewezen op het arrest Ararat. [20]
9.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming heeft beoordeeld of eiseres in de Filipijnen te vrezen heeft voor vervolging, of een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij zijn de verklaringen van eiseres, de gegevens uit het dossier en algemene omstandigheden in de Filipijnen door de minister betrokken. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank een actuele non-refoulement beoordeling gemaakt, zoals volgt uit het arrest Ararat en de rechtspraak van de Afdeling. [21] Het eerder opgelegde terugkeerbesluit mocht daarom worden herhaald. De enkele stelling dat er geen actuele beoordeling is gemaakt, heeft eiseres niet nader toegelicht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. De minister mocht deze aanvraag als kennelijk ongegrond afwijzen, omdat het een opvolgende aanvraag betreft die inhoudelijk is beoordeeld. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen 1 weekna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.De Vreemdelingenwet 2000.
2.Zaaknummer NL25.57410.
3.Bij uitspraak van 30 juni 2020 heeft de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam het beroep van eiseres ongegrond verklaard (NL22.5036). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak bevestigd in haar uitspraak van 29 april 2024, 202402116/1/V2.
4.Op 24 juni 2024; NL24.17102.
5.Zie artikel 30b, eerste lid, onder g, van de Vw.
6.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Zie haar uitspraken van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2332 en ECLI:NL:RVS:2022:2333.
8.Zie het arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2012, M. tegen Ierland, ECLI:EU:C:2012:744, punt 64.
9.Het National Action Plan on Women, Peace and Security (NAPWPS) van 2023.
10.Van zittingsplaats Rotterdam, ECLI:NL:RBDHA:2025:8524.
11.Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
12.Het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
13.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 28 februari 2008, nr. 37201/06, Saadi tegen Italië, overweging 129 en 131.
14.Zie het USDOS 2023 Report on International Religious Freedom: Philippines.
15.Wet RA 9262: the Anti-Violence Against Women and their Children Act of 2004.
16.Zie het Informatiebericht 2020/163 Beoordeling veilig derde land – de Filipijnen.
17.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL4898, onder 2.4.1.
18.Van zittingsplaats Zwolle, ECLI:NL:RBOVE:2022:3951.
19.Neergelegd in paragraaf C2/3.3.2.2.
20.Arrest van het Hof van Justitie 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
21.Zie haar uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.