Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:2957

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
NL25.34560
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 2u Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis bij een houder van een asielvergunning. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, heeft beslist.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontvangst van de aanvraag heeft bevestigd, maar nog niet inhoudelijk heeft beslist. Gelet op jurisprudentie van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd, tenzij verweerder binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk meedeelt, waarna een termijn van twintig weken geldt.

Verder bepaalt de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het overschrijden van deze termijn, maar wijst het verzoek tot vaststelling van een reeds verbeurde dwangsom af vanwege de nieuwe wettelijke regeling. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.

De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier N.A. D’Hoore en openbaar gemaakt op 13 februari 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34560

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de voor hem en zijn gezinsleden ingediende aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis voor verblijf bij [referent] .
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. De aanvraag is ingediend op 23 februari 2024. Verweerder moet op grond van artikel 2u, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 binnen 90 dagen beslissen. [1] Onder verwijzing naar de laatste volzin van dit artikellid heeft verweerder de beslistermijn verlengd met drie maanden. Verweerder had dus uiterlijk op 23 augustus 2024 een besluit moeten nemen. De termijn waarbinnen verweerder had moeten beslissen is daarom voorbij zonder dat er een besluit is genomen. Verweerder is op 6 juni 2025 rechtsgeldig in gebreke gesteld. Op 28 juli 2025 is het beroep ingesteld. Er zijn tussen de ingebrekestelling en het beroep twee weken verstreken, zodat het beroep tijdig is ingesteld. Het beroep is kennelijk gegrond.
3. Als verweerder niet op tijd heeft beslist, legt de rechtbank op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb een termijn op van twee weken waarbinnen hij een besluit bekend moet maken. In bijzondere gevallen of als dat voor de naleving van andere wettelijke voorschriften nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid van deze bepaling een andere termijn opleggen of een andere voorziening treffen.
4. De rechtbank is van oordeel dat bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning op dit moment sprake is van een bijzonder geval. Zij verwijst voor een uitgebreide motivering hiervan naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2023 [2] en naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2024. [3] Er is dan ook reden om met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere termijn dan twee weken op te leggen.
5. Bij het bepalen van de nadere beslistermijn ten aanzien van een aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf, sluit de rechtbank aan bij de beslistermijnen die worden verbonden aan de verschillende fasen in de besluitvorming zoals genoemd in de bovenvermelde uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 17 maart 2023. In de eerder genoemde uitspraken van 3 juli 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat deze nadere beslistermijnen redelijk zijn. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 mei 2025, [4] bevestigd dat het geboden kader met beslistermijnen in de uitspraken van 3 juli 2024 nog altijd een juist uitgangspunt is.
6. In het geval van eiser heeft verweerder gelet op het dossier weliswaar de ontvangst van de aanvraag bevestigd, maar verder nog niet naar de aanvraag gekeken. In dergelijke gevallen bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen een termijn van acht weken na de dag van verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit is anders als verweerder binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dat schriftelijk aan eiser meedeelt. In dat geval moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt.
7. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
8. Eiser verzoekt de rechtbank om de verbeurde bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat de ingebrekestelling is ingediend na inwerkingtreding van de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken, waarmee artikel 71b van de Vw is ingevoegd. Uit dit artikel volgt dat verweerder geen bestuurlijke dwangsom is verschuldigd.
9. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 moet vergoeden en om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 draagt verweerder op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien binnen die termijn wordt besloten dat nader onderzoek moet plaatsvinden en dat aan eiser schriftelijk is meegedeeld, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt;
 bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 (honderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
 bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) moet vergoeden;
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 13 februari 2026 door mr. A.C.J. van Dooijeweert, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De aanvraag wordt getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen. Zie artikel 1.27 in samenhang met artikel 1.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit betekent dat de beslistermijn als bedoeld in artikel 2u, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5787.
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.
4.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2025:2337.