ECLI:NL:RBDHA:2026:2957
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis asiel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis bij een houder van een asielvergunning. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is omdat verweerder niet binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, verlengd met drie maanden, heeft beslist.
De rechtbank stelt vast dat verweerder de ontvangst van de aanvraag heeft bevestigd, maar nog niet inhoudelijk heeft beslist. Gelet op jurisprudentie van deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt een nadere beslistermijn van acht weken opgelegd, tenzij verweerder binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en dit schriftelijk meedeelt, waarna een termijn van twintig weken geldt.
Verder bepaalt de rechtbank een dwangsom van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 voor het overschrijden van deze termijn, maar wijst het verzoek tot vaststelling van een reeds verbeurde dwangsom af vanwege de nieuwe wettelijke regeling. Verweerder wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter A.C.J. van Dooijeweert en griffier N.A. D’Hoore en openbaar gemaakt op 13 februari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.