ECLI:NL:RBDHA:2026:2758

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.27828
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 2 Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Liberiaanse vrouw wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende gegronde vrees

Eiseres, een Liberiaanse vrouw, diende een opvolgende asielaanvraag in na eerdere afwijzingen en intrekking van een tijdelijke verblijfsvergunning. Zij vordert bescherming vanwege gedwongen uithuwelijking, mishandeling, seksuele uitbuiting door een mensenhandelaar, en vrees voor herbesnijdenis. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod op.

De rechtbank oordeelt dat de minister het referentiekader van eiseres voldoende heeft betrokken en dat de minister terecht de seksuele uitbuiting door de mensenhandelaar ongeloofwaardig acht. De wisselende en summiere verklaringen van eiseres over haar schuld en prostitutie zijn onvoldoende onderbouwd, ondanks haar trauma. Ook de vrees voor herbesnijdenis wordt niet aannemelijk geacht, mede omdat vrouwenbesnijdenis in Liberia verboden is en alleen als initiatieritueel voorkomt.

Verder is de rechtbank van oordeel dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade loopt vanwege haar gedwongen huwelijk, stigmatisering, huiselijk geweld of haar status als alleenstaande moeder. De minister mocht het terugkeerbesluit handhaven, het inreisverbod opleggen en eiseres signaleren in het Schengeninformatiesysteem. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de proceskosten worden niet vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en handhaaft de afwijzing van de asielaanvraag, het inreisverbod en de signalering in het SIS.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27828

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. [1] Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft het referentiekader van eiseres voldoende in de besluitvorming betrokken, heeft de problemen van eiseres met de mensenhandelaar terecht ongeloofwaardig geacht en heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres in Liberia geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. In het verlengde hiervan heeft de minister het terugkeerbesluit van eiseres terecht gehandhaafd, mocht hij eiseres een inreisverbod opleggen en mocht hij eiseres signaleren in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop van deze zaak. Omdat het gaat om een opvolgende asielaanvraag, geeft de rechtbank onder 3 eerst kort weer welke procedures eiseres eerder heeft doorlopen. Onder 4 staat wat eiseres aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd en onder 5 staat waarom de minister de asielaanvraag van eiseres heeft afgewezen. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 6. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 12 maart 2024 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 juni 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures
3. Eiseres heeft op 13 maart 2019 een asielaanvraag gedaan. Nog voordat de minister op deze aanvraag had besloten, heeft eiseres op 17 juli 2019 aangifte gedaan van mensenhandel [2] en een aanvraag gedaan om een verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden voor slachtoffers van mensenhandel. [3]
3.1.
De minister heeft eiseres met het besluit van 30 augustus 2019 (tijdelijk) in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning regulier op tijdelijke humanitaire gronden, omdat het strafrechtelijk onderzoek naar de aangifte van eiseres nog niet was afgerond. Deze verblijfsvergunning was geldig van 17 juli 2019 tot 17 juli 2020. Met het besluit van 21 oktober 2019 heeft de minister deze verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 26 juli 2019 ingetrokken, omdat het strafrechtelijk onderzoek naar de aangifte van eiseres op die datum is beëindigd. Eiseres heeft hier geen bezwaar tegen gemaakt, zodat de intrekking van deze verblijfsvergunning is vast komen te staan.
3.2.
Met het besluit van 18 augustus 2021 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond. Deze rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen dit besluit met haar uitspraak van 15 februari 2022 ongegrond verklaard. [4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft deze uitspraak op 21 april 2022 bevestigd, [5] waarmee de afwijzing van de asielaanvraag is komen vast te staan.
3.3.
Eiseres heeft op 17 februari 2023 uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 gevraagd. Dit uitstel van vertrek is haar, in afwachting van een definitieve beslissing op deze aanvraag, met het besluit van 9 mei 2023 verleend tot 1 oktober 2023. Met het besluit van 19 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseres om uitstel van vertrek afgewezen. Met het besluit van 7 maart 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen deze beslissing geen beroep ingesteld, zodat de afwijzing van deze aanvraag is komen vast te staan.
Het asielrelaas
4. Eiseres heeft de Liberiaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. Zij legt aan haar huidige asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is in Liberia opgegroeid bij haar tante. Eiseres is op enig moment door haar tante uitgehuwelijkt aan haar man. Binnen dit huwelijk werd eiseres mishandeld. Daarom is eiseres, samen met haar kinderen, bij haar man weggegaan. Als gevolg hiervan zijn de man en de tante van eiseres naar haar op zoek. De man van eiseres beschuldigt eiseres van het ontvoeren van hun kinderen. Daarnaast heeft hij het betalen van een toelage – die onderdeel was van de bruidsschat – aan de tante van eiseres stopgezet, waardoor zij deze bron van inkomsten is verloren en ook zij eiseres wil vinden. Daarnaast vreest eiseres voor een van de andere vrouwen van haar man, omdat zij eiseres beschuldigt van het doden van haar zoon [persoon A]. Eiseres is – nadat zij bij haar man is weggegaan – naar Marokko gevlucht met de hulp van mensensmokkelaar [persoon B]. Om haar schuld aan hem terug te betalen, moest zij gedwongen in de prostitutie werken. Eiseres heeft haar schuld echter niet volledig terugbetaald, zodat zij ook vreest dat [persoon B] haar zal vinden als zij moet terugkeren naar Liberia. Tot slot is eiseres in Liberia besneden. Bij terugkeer naar Liberia vreest zij voor herbesnijdenis door haar familie of door de familie van een eventuele toekomstige partner.
Het bestreden besluit
5. Volgens de minister heeft eiseres relevante nieuwe elementen en bevindingen aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Daarom heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser inhoudelijk beoordeeld. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst
(2) Gedwongen uithuwelijking en daaruit voortvloeiende problemen;
(3) Seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B];
(4) Besnijdenis.
5.1.
De minister stelt zich hierover op het volgende standpunt. De minister vindt alleen de seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B] ongeloofwaardig. De minister vindt de overige asielelementen wél geloofwaardig. Deze elementen kunnen volgens de minister echter niet tot de conclusie leiden dat eiseres bij terugkeer naar Liberia een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat het om een opvolgende aanvraag gaat, heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [6] De minister heeft eiseres in het bestreden besluit daarnaast een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
Heeft de minister het referentiekader van eiseres voldoende in de besluitvorming betrokken?
6. Eiseres betoogt dat de minister haar referentiekader onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Zij wijst er in de eerste plaats op dat de minister het referentiekader niet expliciet in de besluitvorming heeft uiteengezet. Alleen op die manier kan worden getoetst hoe de verklaringen van eiseres zijn gewogen en of deze weging zich verhoudt tot de beperkingen die eiseres heeft. [7] Doet de minister dat niet, dan mag hij zich niet op het standpunt stellen dat eiseres niet heeft geconcretiseerd welke summiere, vage of wisselende verklaringen niet aan haar mochten worden tegengeworpen. Daarnaast heeft de minister het referentiekader ook niet consequent toegepast, omdat de minister wisselende verklaringen op het ene moment wel en op het andere moment niet tegenwerpt. Tot slot heeft de minister niet onderkend dat eiseres het moeilijk vond om te verklaren over haar problemen in aanwezigheid van een mannelijke tolk.
6.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat hij het referentiekader van eiseres voldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Uit de wet- en regelgeving volgt geen verplichting voor de minister om in iedere beslissing op een asielaanvraag uiteen te zetten wat het referentiekader van de vreemdeling is. [8] Het is voldoende dat de minister het referentiekader van eiseres, zo nodig, kenbaar in de besluitvorming betrekt. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat de minister dat onjuist of inconsistent heeft gedaan. De minister wijst er in dit verband terecht op dat van het referentiekader van eiseres afhangt wat haar wel en niet kan worden tegengeworpen. In het bestreden besluit heeft de minister uitgelegd dat hij, omdat eiseres analfabeet is en psychische problemen heeft, alleen ‘basale’ zaken aan eiseres heeft tegengeworpen. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting niet in waarom dat inconsistent zou zijn. Bovendien blijkt uit deze wijze van beoordelen juist dat de minister het referentiekader van eiseres in de besluitvorming heeft betrokken. De rechtbank ziet daarnaast ook niet in waarom eiseres tijdens het gehoor niet goed heeft kunnen verklaren door het gebruik van een mannelijke tolk. Voor die stelling zijn in het verslag van het gehoor geen aanknopingspunten te vinden en daarnaast wijst de minister er terecht op dat het op de weg van eiseres had gelegen om dit al tijdens het gehoor (of, zo nodig, bij de correcties en aanvullingen daarop) aan te geven, maar dat zij dat niet heeft gedaan.
Mocht de minister de seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B] (het derde asielelement) ongeloofwaardig achten?
7. Eiseres betoogt dat de minister de seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B] ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
7.1.
De minister vindt de seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B] ongeloofwaardig, omdat de verklaringen van eiseres hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. [9] Daarvoor heeft de minister twee redenen gegeven: eiseres heeft summier verklaard over de mensenhandelaar en haar schuld bij hem, en eiseres heeft wisselend verklaard over waar en door wie zij is geprostitueerd.
Summiere verklaringen over mensenhandelaar en schuld
8. Eiseres stelt dat zij, anders dan de minister heeft tegengeworpen, consequent heeft verklaard over haar schuld bij deze mensenhandelaar, die onderdeel is van een Nigeriaans netwerk dat overal in Afrika opereert. De minister heeft niet onderkend dat alleen al daarom een risico op represailles dreigt. [10] In het verlengde daarvan is het volgens eiseres niet van belang hoe hoog de schuld aan de mensenhandelaar is, waardoor het ook niet van belang is dat zij [persoon C] hierover geen vragen heeft gesteld. Verder wijst eiseres erop dat de mensenhandelaar [persoon C] bedreigt. [11] Dat eiseres hierover summier heeft verklaard, kan haar niet worden tegengeworpen. Eiseres is ernstig getraumatiseerd en zal daarom nooit uit zichzelf het volledige asielrelaas vertellen, maar heeft behoefte aan doorvragen. Voor zover de minister de bedreigingen aan het adres van [persoon C] relevant vindt, had het daarom op zijn weg gelegen om eiseres daar aanvullend over te horen of haar de gelegenheid te geven schriftelijke informatie te verstrekken. Tot slot wijst eiseres erop dat de problemen met de mensenhandelaar ook worden onderbouwd met het GZA-patiëntendossier, de brieven van Pro Persona en de brieven van [persoon C].
8.1.
Bij de beoordeling van deze beroepsgrond stelt de rechtbank het volgende voorop. De minister vindt de problemen met de mensenhandelaar niet
geloofwaardig. Dat betekent dat de minister er bij de verdere beoordeling van de asielaanvraag van uitgaat dat eiseres geen problemen heeft gehad met deze mensenhandelaar en niet seksueel door hem is uitgebuit. Dat betekent ook dat de minister er niet van uitgaat dat deze mensenhandelaar behoort tot een Nigeriaans netwerk van mensenhandelaren. De minister is om die reden niet toegekomen aan de vraag of eiseres bij terugkeer naar Liberia (opnieuw) voor deze mensenhandelaren heeft te vrezen. Aan die vraag komt de minister namelijk pas toe als de problemen van eiseres met de mensenhandelaar geloofwaardig zijn. [12] In het geval van eiseres is daarom (vooralsnog) niet van belang dat de minister – voor zover dat al uit de door eiseres aangehaalde rechtspraak [13] volgt – altijd een risicoanalyse moet maken bij slachtoffers van mensenhandelaren van een Nigeriaans netwerk. Dat zou pas aan de orde kunnen komen als de rechtbank tot het oordeel komt dat de minister de problemen van eiseres met de mensenhandelaar ten onrechte ongeloofwaardig vindt. Verder heeft de minister niet aan eiseres tegengeworpen dat zij
niet consequentheeft verklaard over de mensenhandelaar en haar schuld bij hem. Het is om die reden niet van belang dat eiseres stelt dat zij consequent heeft verklaard. De tegenwerping van de minister ziet alleen op de summiere inhoud van de verklaringen. De rechtbank zal hierna dan ook alleen beoordelen of de minister zich op het standpunt mocht stellen dat eiseres summier heeft verklaard.
8.2.
Het betoog van eiseres slaagt niet. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres summier heeft verklaard over de mensenhandelaar en haar schuld bij hem. Eiseres heeft verklaard dat zij voor de mensenhandelaar vreest en dat deze mensenhandelaar ook [persoon C] bedreigt, omdat eiseres nog een schuld bij hem heeft. [14] Omdat deze vrees van eiseres en de bedreigingen aan het adres van [persoon C] direct verband houden met de schuld, mag de minister het van belang vinden dat eiseres – ten minste bij benadering – kan aangeven hoe hoog die schuld is. Op die manier kan de minister namelijk de aannemelijkheid van de vrees (beter) beoordelen. Eiseres heeft dat echter niet gedaan, terwijl dat wel van haar mag worden verwacht. Eiseres heeft immers verklaard dat zij wekelijks contact heeft met [persoon C]. [15] Dat de summiere verklaringen van eiseres zijn te wijten aan een ernstige traumatisering, heeft eiseres niet onderbouwd. Bovendien is tijdens het gehoor expliciet aan eiseres gevraagd hoe hoog haar schuld bij de mensenhandelaar was en is tijdens het gehoor uitgebreid aandacht besteed aan de bedreigingen aan het adres van [persoon C]. [16] Voor een aanvullend gehoor of een schriftelijke ronde heeft de minister dan ook geen aanleiding hoeven zien. De verwijzing van eiseres naar haar patiëntendossiers en de brieven van [persoon C] leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat eiseres hiermee niet wegneemt dat zij tijdens het gehoor summier heeft verklaard, zijn deze stukken niet meer dan een bevestiging van de (summiere) verklaringen van eiseres tijdens het gehoor, en bieden zij dus niet meer inzicht in de hoogte van de schuld bij de mensenhandelaar.
Wisselende verklaringen over waar en door wie eiseres is geprostitueerd
9. Eiseres stelt verder dat de minister ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres wisselend heeft verklaard over waar en door wie zij is geprostitueerd. Afgezien nog van het feit dat eiseres hier tijdens het gehoor niet mee is geconfronteerd, berusten deze wisselende verklaringen op een misverstand. Eiseres heeft één keer (bij het GZA) verklaard dat zij zowel in Marokko als in Spanje is geprostitueerd en zij heeft één keer tijdens een huisartsenconsult verklaard dat zij is geprostitueerd door haar echtgenoot. Voor het overige zijn de verklaringen van eiseres steeds consistent geweest. Patiëntendossiers worden steeds overgedragen (zodat ook wisselende verklaringen worden overgenomen) en het valt niet uit te sluiten dat de wisselende verklaringen hierdoor of door communicatieproblemen met een tolk zijn ontstaan. [17] Daarnaast linkt eiseres zowel Marokko als Spanje aan mensenhandel.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte aan eiseres tegengeworpen dat zij op dit punt wisselend heeft verklaard. In het patiëntendossier van eiseres is vermeld dat zij op 8 januari 2020, tijdens een consult bij haar huisarts, heeft verklaard dat zij in Marokko en Spanje is geprostitueerd. Verder volgt uit de brief van de huisarts van eiseres van 30 maart 2023 dat eiseres ten minste één keer, eveneens tijdens een consult, heeft verklaard dat zij door haar echtgenoot is geprostitueerd. De minister wijst er terecht op dat onvoldoende is onderbouwd dat deze vermeldingen in de medische stukken het gevolg zijn van communicatieproblemen tijdens de consulten. In de brief van 30 maart 2023 wordt over dergelijke problemen immers niets vermeld, en uit het verloop van het consult van 8 januari 2020 blijkt dat eiseres en haar arts elkaar – na enkele problemen met een tolk Mandingo – uiteindelijk konden verstaan in het Engels (terwijl eiseres die taal in beroep niet stelt te spreken). Dat eiseres zowel Marokko als Spanje aan mensenhandel linkt, maakt dat niet anders. De rechtbank ziet niet in waarom dit wisselende verklaringen tot gevolg zou hebben. Dat eiseres voor het overige steeds consistent heeft verklaard en dat wisselende verklaringen soms worden ‘overgenomen’ door het overdragen van patiëntendossiers, leidt evenmin tot een ander oordeel. Deze omstandigheden doen er immers feitelijk niet aan af dat eiseres ten minste eenmalig andere verklaringen heeft afgelegd dan tijdens het gehoor. De rechtbank volgt eiseres tot slot niet in haar stelling dat de minister eiseres al tijdens het gehoor met deze wisselende verklaring had moeten confronteren. In artikel 3.113, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 staat weliswaar dat de minister eiseres moet confronteren met inconsistenties in haar verklaringen, maar die bepaling strekt naar haar formulering niet zo ver dat de minister eiser ook moet confronteren met tegenstrijdigheden tussen haar verklaringen uit het gehoor en documenten die zij in eerdere asielprocedures of een eerder stadium van de huidige asielprocedure heeft ingebracht.
Conclusie over deze beroepsgrond
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister vindt de seksuele uitbuiting door mensenhandelaar [persoon B] terecht ongeloofwaardig.
Heeft eiseres een gegronde vrees voor vervolging of loopt zij een reëel risico op ernstige schade?
11. Eiseres betoogt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico op ernstige schade loopt.
Toetsingskader
12. De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond het volgende voorop. Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt verleend aan een vreemdeling die verdragsvluchteling is of die een reëel risico op ernstige schade loopt. [18] Verdragsvluchteling kan – onder meer – zijn de vreemdeling die een gegronde vrees voor vervolging heeft omdat zij behoort tot een bepaalde sociale groep. [19] Eiseres heeft uitgebreid en onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie betoogd dat zij als vrouw in Liberia behoort tot een sociale groep. [20] Eiseres stelt dat zij als gevolg daarvan te maken heeft gekregen met verschillende problemen en dat zij bij terugkeer opnieuw met die problemen te maken zal krijgen. Daarbij gaat het onder meer om stigmatisering, verkrachting, bruidsschatgerelateerd geweld, vrouwenbesnijdenis, uithuwelijking, huiselijk geweld en mensenhandel. [21] Binnen de asielprocedure is echter in de eerste plaats het uitgangspunt dat eiseres haar vrees voor deze problemen concretiseert. [22] Dat betekent dat éérst moet worden vastgesteld óf eiseres een gegronde vrees heeft – dus of eiseres daadwerkelijk bij terugkeer te maken zal krijgen met de door haar genoemde problemen. Pas als dat zo is, kan worden bepaald of deze problemen een ‘daad van vervolging’ zijn en plaatsvinden omdat eiseres behoort tot een sociale groep (bij de beoordeling van vluchtelingschap), of raken aan artikel 3 van Pro het EVRM (bij de beoordeling van het reëel risico op ernstige schade). De minister heeft in het bestreden besluit volstaan met het standpunt dat eiseres haar vrees voor vervolging of ernstige schade niet aannemelijk heeft gemaakt. De beoordeling van de rechtbank zal daarom beperkt blijven tot de vraag of de minister zich – voor wat betreft de door eiseres aangehaalde onderwerpen – op dit standpunt mocht stellen.
12.1.
Daarnaast is het van belang dat eiseres een
opvolgendeasielaanvraag heeft gedaan. Bij de eerste asielaanvraag van eiseres heeft de minister zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van haar gedwongen huwelijk en de daaruit voortvloeiende problemen. Deze motivering staat, zoals onder 3.2 overwogen, inmiddels vast. Een opvolgende aanvraag is niet bedoeld om de afwijzing van een eerdere asielaanvraag (nogmaals) ter discussie te stellen. De beoordeling van de eerdere asielaanvraag is dus, anders dan eiseres op zitting en onder verwijzing naar de uitspraak van de zittingsplaats Roermond van deze rechtbank [23] heeft betoogd, met het indienen van deze opvolgende asielaanvraag niet weer ‘open’ komen te vallen. Voor zover eiseres aan deze opvolgende asielaanvraag problemen ten grondslag heeft gelegd die zij óók ten grondslag heeft gelegd aan haar eerste asielaanvraag, zal de beoordeling daarom beperkt zijn tot de vraag of eiseres feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die – zo nodig samen met de feiten en omstandigheden uit de eerste asielaanvraag – een ander licht doen schijnen op het standpunt van de minister in het besluit op de eerste asielaanvraag.
12.2.
Voor de overzichtelijkheid van de uitspraak zal de rechtbank hierna eerst ingaan op de problemen bij terugkeer die eiseres tijdens het gehoor naar voren heeft gebracht en die in het bestreden besluit als zodanig zijn beoordeeld als relevant element. Dat zijn de problemen als gevolg van de gedwongen uithuwelijking (met haar familie), de problemen als gevolg van de gestelde seksuele uitbuiting (door mensenhandelaar [persoon B]) en de vrees voor een (her)besnijdenis. De rechtbank zal daarna ingaan op wat eiseres daar in haar beroepschrift nog aan heeft toegevoegd.
Problemen als gevolg van gedwongen uithuwelijking
13. Eiseres betoogt dat zij vreest voor vervolging of ernstige schade als gevolg van haar gedwongen uithuwelijking en de daaruit voortvloeiende problemen. De minister heeft daar tijdens het gehoor onvoldoende aandacht aan besteed en dit slechts betrokken in het kader van de mogelijkheid tot echtscheiding. Eiseres wijst er echter op dat zij had aangevoerd dat echtscheiding niet mogelijk is in haar cultuur vanwege de schaamtecultuur en de schande die eiseres daarmee over haar familie brengt, zodat een echtscheiding alleen maar tot meer (huiselijk) geweld zou leiden en de verwaarlozing van haar kinderen niet zou oplossen. Eiseres wijst ter onderbouwing op een rapport van de ‘Group of Experts on Action against Violence against Women and Domestic Violence’ (GREVIO), die bekritiseert dat er geen gendersensitieve richtlijnen zijn voor toepassing van het Vluchtelingenverdrag en de hoormedewerkers onvoldoende zijn toegerust om vreemdelingen op een gendersensitieve manier te horen.
13.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van haar gedwongen uithuwelijking en de daaruit voortvloeiende problemen. Eiseres heeft allereerst niet geconcretiseerd op welke manier zij is benadeeld door het ontbreken van gendersensitieve richtlijnen en het ontbreken van een gendersensitieve wijze van horen, zodat de rechtbank aan die stelling voorbijgaat. Daarnaast volgt de rechtbank eiseres niet in haar stelling dat de minister de problemen die zij naar voren heeft gebracht te nauw heeft geïnterpreteerd en dat hij tijdens het gehoor heeft volstaan met de vraag of eiseres van haar echtgenoot kan scheiden. Tijdens het gehoor is namelijk niet alleen gesproken over de vraag of eiseres van haar man kan scheiden, [24] maar ook over de vraag of de man van eiseres haar kan vinden en waarom hij na zeven jaar nog steeds naar haar op zoek zou zijn, en over de vraag of eiseres veilig in Monrovia zou kunnen verblijven. [25] Daarnaast is de tante van eiseres tijdens het gehoor ter sprake gekomen. [26] Voor wat betreft de inhoudelijke beoordeling van deze problemen heeft de minister terecht als uitgangspunt genomen dat met de eerste asielprocedure is komen vast te staan dat eiseres zich aan de invloed van haar man en tante kan onttrekken, dat niet is gebleken dat zij naar eiseres op zoek zijn en dat eiseres zonder problemen in Monrovia heeft kunnen verblijven. [27] De minister heeft zich in het bestreden besluit vervolgens op het standpunt gesteld dat de opvolgende aanvraag van eiseres hierop geen ander licht doet schijnen. Eiseres heeft dat standpunt in beroep als zodanig niet betwist. Het valt daarom niet in te zien waarom een echtscheiding zou leiden tot een toename van (huiselijk) geweld en verwaarlozing van de kinderen van eiseres.
Problemen als gevolg van de seksuele uitbuiting door de mensenhandelaar
14. Het betoog van eiseres dat zij vreest voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt als gevolg van haar schuld bij de mensenhandelaar, slaagt niet. De rechtbank heeft hiervoor, onder 7 tot en met 11, overwogen dat de minister de seksuele uitbuiting door de mensenhandelaar en de daaruit voortvloeiende problemen terecht ongeloofwaardig vindt. De minister was daarom ook niet gehouden om te beoordelen of eiseres op basis hiervan een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Vrees voor herbesnijdenis
15. Eiseres betoogt dat zij gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt, gelet op het risico op herbesnijdenis. In dit verband voert eiseres allereerst aan dat de minister bij de beoordeling van dit element een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd. Hoewel de besnijdenis tijdens de eerste asielprocedure al is beoordeeld en geloofwaardig is bevonden, is deze nog niet getoetst aan het Verdrag van Istanbul en drie arresten van het Hof van Justitie uit 2024. [28] Dat deze beoordeling in rechte vaststaat, is niet van belang. [29] Daarnaast heeft de minister alleen getoetst of eiseres een reëel risico op ernstige schade loopt, terwijl de minister had moeten beoordelen of eiseres bescherming kan inroepen tegen deze gedwongen besnijdenissen. [30] Dat is, gelet op de landeninformatie die bij de aanvraag is overgelegd, niet mogelijk. Daarbij is ook van belang dat eiseres zich als alleenstaande moeder met vier kinderen niet alleen staande kan houden en niet kan terugvallen op familie. Het feit dat gedwongen besnijdenissen plaatsvinden moet daarom op zichzelf genomen al reden zijn om vluchtelingschap aan te nemen, zoals dat ook geldt in het landenbeleid voor Guinee. Waarom dat voor Liberiaanse vrouwen niet geldt, valt niet in te zien. Specifiek voor eiseres komt daar nog bij dat eiseres een hersteloperatie zal ondergaan en daarom zal hebben te vrezen voor herbesnijdenis. [31]
15.1.
Dit betoog slaagt niet. Uit de beschikking op de eerste asielaanvraag volgt niet dat de minister daarin (ook) de vrees van eiseres voor een herbesnijdenis heeft beoordeeld. Eiseres heeft deze vrees pas in deze opvolgende aanvraag als zodanig als asielmotief naar voren gebracht. De vraag of de minister – gelet op het Verdrag van Istanbul en de door eiseres aangehaalde arresten van het Hof van Justitie – moet afwijken van zijn beoordeling uit de eerste asielaanvraag, is dus niet van belang. Verder is de stelling van eiseres dat zij geen bescherming kan inroepen tegen een gedwongen herbesnijdenis en dat de minister daarom voor Liberia eenzelfde landenbeleid moet hanteren als voor Guinee niet van belang. Het is immers, zoals onder 13.1 overwogen, allereerst de vraag of het aannemelijk is dat eiseres vreest voor herbesnijdenis. De minister heeft het standpunt ingenomen dat die vrees niet aannemelijk is. De minister heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiseres heeft verklaard dat haar man en haar tante haar mogelijk zouden willen herbesnijden, maar dat eiseres zich aan hen kan onttrekken. Verder heeft de minister uitgelegd dat het een onzekere toekomstige gebeurtenis is dat een eventueel nieuwe partner zou willen dat eiseres opnieuw wordt besneden. Eiseres heeft dat standpunt als zodanig niet betwist. De vraag of eiseres bescherming kan inroepen tegen de gevreesde gedwongen herbesnijdenis en of de minister op dat vlak eenzelfde beleid moet voeren als voor Guinee, kan daarom in het midden blijven. Dat komt immers pas aan de orde als de vrees van eiseres voor herbesnijdenis aannemelijk is. [32] Dat eiseres een hersteloperatie zal of wil ondergaan, maakt het voorgaande niet anders. Hoewel de minister het geloofwaardig vindt dat eiseres is besneden en dit een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van eiseres terecht is, [33] heeft de minister zich ook onbetwist en onder verwijzing naar algemene landeninformatie op het standpunt gesteld dat vrouwenbesnijdenissen in Liberia slechts voorkomen als initiatieritueel en inmiddels ook verboden zijn, zodat eiseres in zoverre niet opnieuw heeft te vrezen voor een besnijdenis. Tot slot ziet de rechtbank niet in waarom de hersteloperatie zelf, zoals eiseres op zitting heeft betoogd, reden moet zijn om aan eiseres een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Het enkele feit dat eiseres in Nederland wel een hersteloperatie kan krijgen en in Liberia niet, maakt immers niet dat eiseres in Liberia (opnieuw) heeft te vrezen voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Eiseres is alleenstaand
16. Eiseres betoogt dat zij vreest voor vervolging en ernstige schade, omdat zij een alleenstaande moeder met kinderen is. Eiseres kan niet terugvallen op [persoon C], omdat de mensenhandelaar ook haar bedreigt en zij daarom niet veilig is bij [persoon C]. Eiseres is dus alleenstaand en dat maakt haar kwetsbaar. [34] Daarbij is ook van belang dat zij geen financiën en geen familie heeft waarop zij een beroep kan doen. [35] Het valt daarom niet in te zien waarom de minister eiseres niet heeft aangemerkt als kwetsbaar.
16.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt omdat zij alleenstaand is. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het enkele feit dat eiseres alleenstaand is, niet onmiddellijk betekent dat zij ook vreest voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank begrijpt eiseres echter zo dat zij stelt dat zij hierdoor kwetsbaar is, sneller in de handen van mensenhandelaren zal vallen en dat zij dus gedwongen in de prostitutie zal belanden, zodat zij in zoverre vluchteling is of en reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank volgt eiseres echter niet in die stelling. De minister wijst er namelijk terecht op dat eiseres een sociaal vangnet heeft, omdat zij een beroep kan doen op [persoon C], de man van [persoon C] en op haar kinderen (waaronder haar twee zoons). Dat het bij [persoon C] niet veilig zou zijn volgt de rechtbank niet, gelet op het oordeel hiervoor onder 8.2 dat de minister de bedreigingen aan het adres van [persoon C] terecht ongeloofwaardig vindt. Eiseres heeft verder ook niet onderbouwd dat deze personen haar, zo nodig, niet financieel zouden kunnen ondersteunen. Daar komt nog bij dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres zich eerder (alleen) in Liberia heeft kunnen handhaven. Eiseres heeft in haar eerste asielprocedure verklaard dat zij “minder dan een jaar” in Monrovia heeft verbleven voordat zij naar Guinee vluchtte, [36] en heeft in de huidige asielprocedure verklaard dat zij als werk in Liberia haren vlechtte. [37] Waarom zij dat niet opnieuw zou kunnen doen en noodgedwongen in de prostitutie zal belanden, valt daarom niet in te zien. De brief van [persoon C] dat eiseres niet langer dan een maand in Monrovia heeft verbleven, leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat niet kan worden vastgesteld dat deze brief daadwerkelijk door [persoon C] is geschreven, legt eiseres met het enkele overleggen van deze brief niet uit waarom zij hierover tijdens het nader gehoor in haar eerste asielprocedure anders heeft verklaard.
Overige problemen die leiden tot vluchtelingschap of een reëel risico op ernstige schade
17. Eiseres betoogt dat zij te maken heeft gehad en opnieuw te maken zal krijgen met stigmatisering, verkrachting, uithuwelijking en huiselijk geweld. Als eiseres bescherming wil vragen bij de Liberiaanse autoriteiten tegen deze problemen, dan zal zij niet serieus worden genomen. De Liberiaanse autoriteiten zien dergelijke problemen immers – zeker als het gaat om problemen tussen een man en zijn vrouw – als privéaangelegenheid. Eiseres vreest bij terugkeer naar Liberia opnieuw met deze problemen te maken te krijgen en vreest daarom een inbreuk op haar menselijke waardigheid. Verder is eiseres inmiddels verwesterd en kan zij niet langer zo onderdrukt leven als waartoe zij in Liberia gedwongen was. Zij wil zich uitspreken en opkomen voor haar rechten, wat door de Liberiaanse autoriteiten zal worden gezien als een ontoelaatbare politieke of religieuze overtuiging. Deze problemen vormen volgens eiseres gezamenlijk, maar ook afzonderlijk, een daad van vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag op grond waarvan gegronde vrees bestaat. [38] Van eiseres mag in dat geval – gelet op de problemen die zij heeft ervaren – niet worden verwacht dat zij nader onderbouwt dat zij geen bescherming kan krijgen. Dat is aan de minister. [39] Verder betoogt eiseres dat zij een reëel risico op ernstige schade loopt, omdat zij een vrouw is. Verschillende vormen van gendergerelateerd geweld – zoals onderdrukking van de familie, huiselijk geweld of eerwraak – kunnen leiden tot de conclusie dat een vrouw een reëel risico op ernstige schade loopt. [40] De minister heeft dit in het bestreden besluit niet onderkend en daarnaast ontbreekt op dit punt onmisbaar landenbeleid over Liberia.
17.1.
Dit betoog slaagt niet. Afgezien nog van het feit dat eiseres de meeste van deze problemen niet heeft genoemd in haar aanvraagformulier en hierover niet heeft verklaard tijdens het gehoor is het, zoals de rechtbank hiervoor onder 13.1 heeft overwogen, in de eerste plaats aan eiseres om concreet en aan de hand van individuele omstandigheden te onderbouwen dat zij met de door haar genoemde problemen te maken zal krijgen. Het enkele feit dat in Liberia vrouwenrechten met voeten worden getreden en vrouwen daardoor in het algemeen met problemen te maken krijgen, is dus onvoldoende voor het oordeel dat een Liberiaanse vrouw in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op de grond dat zij behoort tot een ‘sociale groep’ (en dus vluchteling is) of een reëel risico op ernstige schade loopt. De rechtbank heeft hiervoor, onder 14.1, overwogen dat het niet aannemelijk is dat eiseres (opnieuw) te maken krijgt met problemen als gevolg van haar uithuwelijking, zoals huiselijk geweld en verkrachting binnen het huwelijk. Verder heeft eiseres niet aan de hand van individuele omstandigheden onderbouwd dat zij zal worden gestigmatiseerd of buiten het huwelijk zal worden verkracht, dat zij is verwesterd, dat haar een bepaalde politieke of religieuze overtuiging zal worden toegedicht of dat zij op een andere manier (opnieuw) te maken krijgt met gendergerelateerd geweld. Het valt daarom niet in te zien waarom eiseres om die redenen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt.
Conclusie over deze beroepsgrond
18. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt.
Had de minister het terugkeerbesluit moeten intrekken en moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod en de signalering van eiseres?
19. Het betoog van eiser dat de minister het terugkeerbesluit had moeten intrekken en had moeten afzien van het opleggen van een inreisverbod en een signalering in het Schengeninformatiesysteem (SIS), slaagt niet. Eiseres heeft op 19 oktober 2023 een terugkeerbesluit gekregen. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, volgt dat de minister eiseres niet in het bezit had hoeven stellen van een verblijfsvergunning. De minister heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om het terugkeerbesluit van 19 oktober 2023 in te trekken. Daarom was de minister bevoegd om aan eiseres een inreisverbod op te leggen, [41] en – in het verlengde daarvan – eiseres in het SIS te signaleren. [42] Eiseres heeft, anders dan met de stelling dat de minister haar een verblijfsvergunning had moeten verlenen en haar terugkeerbesluit had moeten intrekken, niet uitgelegd waarom de minister hiervan had moeten afzien,.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing van haar asielaanvraag in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiseres niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Zoals bedoeld in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.
3.Zoals bedoeld in paragraaf B8/3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Rb. Den Haag 15 februari 2022, zaaknummer NL21.14569 (niet gepubliceerd).
5.ABRvS 21 april 2022, zaaknummers 202201589/1/V1 en 202201589/2/V1 (niet gepubliceerd).
6.Dat is mogelijk op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.
7.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Roermond) 20 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8794.
8.Vergelijk Rb. Den Haag (zp Arnhem) 14 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2571, r.o. 6.1.
9.De minister heeft daarbij verwezen naar artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
10.Eiseres wijst ter onderbouwing op ABRvS 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996, een brief van haar vriendin [persoon C] en e-mailverkeer met haar vriendin [persoon C].
11.Eiseres wijst ter onderbouwing op een e-mailwisseling met [persoon C].
12.Zie ook paragraaf C1/4.4 en C1/4.5 van de Vc 2000.
13.ABRvS 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996, r.o. 4 en 4.3-4.3.1.
14.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 19-20.
15.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 8.
16.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 20-21.
17.Eiseres wijst op een brief van haar huisarts [persoon D] van 30 juni 2025.
18.Dat staat in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000.
19.Dat volgt uit artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 1(A), aanhef en onder 2, van het Vluchtelingenverdrag.
20.Eiseres heeft gewezen op HvJEU 16 januari 2024, C-621/21, ECLI:EU:C:2024:47 (
21.Eiseres wijst op de landeninformatie die zij bij haar aanvraag heeft overgelegd.
22.Dat volgt uit paragraaf C2/2.3 van de Vc 2000.
23.Rb. Den Haag (zp Roermond) 4 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15988.
24.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 14-15.
25.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 16-17.
26.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 17-18.
27.Zie het besluit van 18 augustus 2021, p. 3-4.
28.Eiseres wijst op HvJEU 16 januari 2024, C-621/21, ECLI:EU:C:2024:47 (
29.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Roermond) 4 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15988.
30.Eiseres wijst op ABRvS 24 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2795.
31.Eiseres wijst op Rb. Den Haag (zp Zwolle) 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17864.
32.Vergelijk paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000.
33.Zie artikel 31, vijfde lid, van de Vw 2000 en de door eiseres aangehaalde uitspraak Rb. Den Haag (zp Zwolle) 25 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17864.
34.Eiseres wijst onder meer op EHRM 10 september 2015, zaaknummer 4601/14, ECLI:CE:ECHR:2015:0910JUD000460114 (
35.Eiseres wijst op ABRvS 25 oktober 2019, zaaknummer 201903895/1/V2 (niet gepubliceerd), bevestiging van Rb. Den Haag (zp Amsterdam) 10 mei 2019, zaaknummers NL19.8897 en NL19.8898 (niet gepubliceerd).
36.Zie het verslag van het nader gehoor van 24 november 2020, p. 13.
37.Zie het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag van 10 juni 2025, p. 12.
38.Eiseres wijst op HvJEU 4 oktober 2024, C-608/22 en C-609/22, ECLI:EU:C:2024:828 (
39.Eiseres wijst op ABRvS 24 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2795.
40.Eiseres wijst op EHRM 22 juni 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:0622JUD002424503 (
41.Vergelijk artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000.
42.Dat volgt uit artikel 66a, derde lid, van de Vw 2000.