Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
einduitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
24. De rechtbank concludeert dat verweerder niet kenbaar heeft gemaakt welk referentiekader hij heeft gehanteerd bij het verrichten van de geloofwaardigheidsbeoordeling en dat dit een gebrek in het besluit is. De rechtbank heeft een aantal factoren van het referentiekader benoemd waarmee verweerder in ieder geval onvoldoende rekening heeft gehouden. Verweerder heeft een onvolledig en niet inzichtelijk medisch advies van Medifirst ten grondslag gelegd aan zijn gehoor en besluitvorming. Het gehoor heeft zorgvuldig plaatsgevonden, maar dat heft de geconstateerde medische beperkingen niet op. Verweerder heeft in zijn geloofwaardigheidsbeoordeling en besluit geen rekening gehouden met de medische beperkingen, althans hiervan ontbreekt elke motivering. Verweerder heeft ook onvoldoende gemotiveerd waarom er geen groter gewicht is toegekend aan de verklaringen van derden en waarom niet is overwogen om de gestelde (ex)partner(s) van eiser te benaderen en te vragen of hij bereid is om een verklaring af te leggen.
25. De rechtbank concludeert verder dat eiser, voor zover hij in staat is geweest om adequaat te verklaren, op hoofdlijnen consistent heeft verklaard en dat daaruit de ontwikkeling blijkt die eiser heeft doorgemaakt in het ontdekken van zijn seksuele gerichtheid en het vormen van zijn seksuele identiteit. Verweerder heeft mogen benoemen dat eiser niet “veel” heeft verklaard in antwoorden op de vragen. Dit wil niet zonder meer zeggen dat het relaas, vanwege de summiere aard van de verklaringen en omdat de verklaringen van weinig “diepgang” getuigen, het relaas ongeloofwaardig kan worden bevonden. De rechtbank overweegt ook dat partijen weliswaar verschillen over een enkele tegenstrijdigheid die verweerder heeft geduid in het zeer uitgebreide gehoor, maar dat dit niet ziet op de kern van het asielrelaas en dus ook geen dragend argument kan zijn in het ongeloofwaardig achten van het asielrelaas. Verweerder heeft niet duidelijk gemaakt welke bewijsdrempel hij heeft aangelegd bij het aannemelijk achten van het relaas van eiser.
26. De rechtbank leidt uit de gehoorverslagen en uit de toelichting die de gemachtigde ter zitting heeft gegeven over de gesprekken die hij met eiser heeft gevoerd, af dat eiser zo goed mogelijk heeft verklaard. De gemachtigde van eiser heeft ook toegelicht wat de tijdspanne is die met eiser kan worden gesproken vanwege zijn medische problematiek en heeft ook aangegeven dat het verklaren door eiser over zijn geaardheid door eiser als belastend wordt ervaren. De rechtbank overweegt dat eiser niet meer inspanningen kan leveren om zijn asielrelaas te staven en stelt vast dat heeft eiser voldaan aan zijn inspanningsplicht.
27. Gelet op bovenstaande overwegingen kan het besluit geen stand houden en dient verweerder opnieuw een geloofwaardigheidsbeoordeling te verrichten. De rechtbank overweegt dat verweerder eiser niet opnieuw hoeft te horen. De hoormedewerker(s) heeft/hebben het gehoor zorgvuldig gehouden en een registertolk in de moedertaal- en dialect van eiser is niet beschikbaar. De rechtbank overweegt ook dat eiser beperkt belastbaar lijkt en het wederom horen over zijn asielrelaas daarom onevenredig zwaar is. Het gebrek in de besluitvorming is bovendien gelegen in de beoordeling van de verklaringen.
12 april 2023 van toepassing was, is dus het kader dat verweerder moet hanteren bij het verrichten van de geloofwaardigheidsbeoordeling. De stelling van verweerder dat WI 2024/6 niet tot een striktere geloofwaardigheidsbeoordeling leidt, laat de rechtbank onbesproken omdat dit in de onderhavige procedure niet relevant is. Verweerder heeft WI 2024/6 ten onrechte in haar aanvullende besluit als beoordelingskader gehanteerd. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding om de behandeling van het beroep aan te houden totdat het Hof de door deze rechtbank en zittingsplaats op 7 januari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:136 en ECLI:NL:RBDHA:2025:139) en op 18 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:2170) gestelde prejudiciële vragen over -kort gezegd- de verenigbaarheid van de “nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling” met het Unierecht- heeft beantwoord. Weliswaar wordt in WI 2024/6 ook verwezen naar “WI 2019/17, Horen en beslissen in zaken waarin LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd”, maar verweerder heeft evenwel WI 2024/6 en het vanaf 1 juli 2024 van kracht zijnde beleid ten onrechte als uitgangspunt genomen in zijn aanvullende besluit. Voor zover verweerder meent dat het de opdracht van de rechtbank was om “de beoordeling met in achtneming van de tussenuitspraak en conform de nieuwe geloofwaardigheidsboordeling te verrichten”, berust dit op een verkeerde lezing van de uitspraak van de rechtbank. In de tussenuitspraak van 13 september 2024 is immers het navolgende overwogen:
6. (…) Indien -kort gezegd- de vreemdeling voldaan heeft aan zijn inspanningsplicht, de verklaringen niet in strijd zijn met openbare informatie, de vreemdeling zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend en de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zal ook kenbaar moeten worden beoordeeld of het voordeel van de twijfel kan worden gegund. Dit beoordelingskader volgt uit het Unierecht en is het uitgangspunt in de asielprocedure en zal dus ook zo moeten worden toegepast zolang dit Unierechtelijke kader ongewijzigd blijft.
Unierechtelijke kadervormen, niet gewijzigd zijn en dat uitsluitend vanaf 1 juli 2024
nieuw nationaal beleidvan kracht is geworden.
waaromde opgesomde feiten en omstandigheden -kennelijk- geen invloed hebben op wat van eiser kan worden verwacht. Verweerder had in haar aanvullende besluit niet alleen moeten benoemen welk referentiekader zij hanteert, maar ook moeten motiveren op welke wijze dit referentiekader is betrokken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling en had dit referentiekader dus moeten relateren aan concrete tegenwerpingen op grond waarvan de gestelde seksuele geaardheid ongeloofwaardig is bevonden. Verweerder heeft met deze algemene passages in het aanvullende besluit dus niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank.
18. De rechtbank stelt vast dat de omstandigheid dat eiser niet gehoord is over juist dit asielmotief met een tolk die de taal en dialect beheerst waarin eiser zich het beste kan uitdrukken, moet worden betrokken bij de beoordeling welke bewijsdrempel wordt aangelegd om de gestelde geaardheid geloofwaardig te achten. Dit geldt (in mindere mate) ook voor de omstandigheid dat eiser had verzocht om te worden gehoord in “een vrouwelijke setting”. Een gesprek in een hoorsetting is niet vergelijkbaar met een gesprek met “peers” of een partner. De specifieke hoorsetting kan echter wel bijdragen aan de wijze waarop en de mate waarin eiser in staat is over zijn seksuele geaardheid te praten. Eiser heeft aangegeven liever “in een vrouwelijke setting” te praten. Dit is niet mogelijk gebleken en ook toegelicht door de hoormedewerker. Dit betekent niet dat het gehoor niet zorgvuldig is verlopen. Het betekent wel dat verweerder zich er rekenschap van moet geven dat dit wellicht van invloed is geweest op de verklaringen die eiser heeft afgelegd.
11. De rechtbank stelt vast dat Medifirst zijn advies weliswaar kwalificeert als een “Medisch advies Horen en beslissen”, maar dat Medifirst uitsluitend heeft geadviseerd over de wijze van horen. Medifirst heeft geconstateerd dat sprake is van medische klachten en dat er sprake is van beperkingen voor het horen als gevolg van de psychische klachten. De rechtbank merkt op dat uit het Medifirst-advies niet duidelijk wordt waarom eiser nu wel gehoord kon worden en ten tijde van het eerder medische advies niet. Gelet op de door Medifirst benoemde medische problematiek en het geringe tijdsverloop van vier maanden tussen de twee Medifirst-adviezen, had Medifirst nader moeten aangeven waarom eiser wel gehoord kan worden. Uit het advies blijkt niet of er minder of andere beperkingen zijn geconstateerd en blijkt ook niet of de behandelingen en medicatie van eiser een positieve invloed hebben gehad op het vermogen van eiser om adequaat te kunnen verklaren. Dit tweede Medifirst-advies is dus op deze punten niet inzichtelijk. Dit Medifirst-advies is ook onvolledig omdat niet wordt geadviseerd op welke wijze verweerder bij het beslissen rekening dient te houden met de geconstateerde beperkingen en dit gelet op de benaming “Advies Horen en Beslissen” wel wordt gesuggereerd. Het zorgvuldig horen met inachtneming van het Medifirst-advies heft de geconstateerde beperkingen niet op dus het is noodzakelijk om te weten op welke wijze bij het beslissen en dus bij het beoordelen van de verklaringen van eiser rekening moet worden gehouden met de beperkingen. Verweerder heeft geen aanvullend advies aan Medifirst gevraagd en heeft ook geen vragen aan Medifirst gesteld waarom eiser vier maanden nadat werd vastgesteld dat eiser niet kon worden gehoord vanwege psychische problematiek, wel kon worden gehoord. Verweerder had zich hiervan nader dienen te vergewissen omdat hij dit advies ten grondslag legt aan zijn beslissing om eiser te horen. Verweerder heeft eiser gehoord en vervolgens de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser beoordeeld zonder zich te laten adviseren hoe hierbij met de medische beperkingen om adequaat te kunnen verklaren rekening moet worden gehouden en zonder hierop deugdelijk gemotiveerd in zijn besluit in te gaan. Verweerder had zich hier echter van dienen te vergewissen. Verweerder had vervolgens in zijn besluit moeten benoemen op welke wijze hij zich hiervan heeft vergewist en op welke wijze hij bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening heeft gehouden met de medische beperkingen die Medifirst heeft vastgesteld. Verweerder heeft dit alles niet gedaan en ook hierdoor kan het besluit geen stand houden.
(…)
13. De rechtbank overweegt dat de hoormedewerker zeer zorgvuldig heeft gehandeld door meerdere vragen te stellen over de psychische problemen, de medicatie die eiser hiervoor is voorgeschreven, de werking ervan en de behandeling door de psycholoog. De hoormedewerker heeft eiser ook alle ruimte gegeven om bij aanvang en gedurende het gehoor te verzoeken om een onderbreking van het gehoor. Eiser heeft op vragen van de hoormedewerker verklaard in staat te zijn verder te worden gehoord. De rechtbank overweegt dat, daargelaten dat het maar zeer de vraag is of eiser zelf kan overzien of zijn psychische problematiek in de weg staat aan het adequaat en consistent verklaren en er andere motieven denkbaar zijn voor eiser om het gehoor doorgang te laten vinden, het zorgvuldig horen niet betekent niet dat reeds daardoor ook onverkort van de verklaringen die eiser heeft afgelegd kan worden uitgegaan. Eiser heeft aangevoerd dat het gebruik van de voorgeschreven medicatie niet alleen stemmingen onderdrukt bij het ervaren van (diepe) gevoelens, maar ook bij het “terughalen” van die gevoelens en bij het verklaren over die gevoelens. Bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van de verklaringen had verweerder kenbaar moeten benoemen of rekening is gehouden met het gebruik van medicatie en of verweerder dit van invloed acht op het ervaren van gevoelens door eiser bij zijn seksuele ontwikkeling en het adequaat hierover kunnen verklaren. De rechtbank overweegt dus dat verweerder eiser zorgvuldig heeft gehoord, maar niet kenbaar heeft beoordeeld in hoeverre de door Medifirst vastgestelde psychische problematiek van eiser en de waarnemingen van de hoormedewerker van de afwezige indruk die eiser maakte tijdens het gehoor, zijn meegewogen in het besluit. Deze medische problematiek maakt echter onderdeel uit van het referentiekader van eiser en dient door verweerder -kenbaar- te worden betrokken bij het beoordelen of eiser met zijn verklaringen zijn asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt.
23. (…)Verweerder dient te onderzoeken en te beoordelen of deze brieven steunbewijs opleveren voor de verklaringen van eiser. Juist in het geval de seksuele geaardheid als asielmotief wordt aangedragen en, zoals hiervoor overwogen, er nagenoeg geen andere bewijsmiddelen zijn dan de eigen verklaringen, dient verweerder deugdelijk te beoordelen welk gewicht toekomt aan de verklaringen van derden. Verweerder had dus de feitelijke gedragingen van eiser die in die brieven worden genoemd dienen te betrekken bij de beoordeling of eiser zijn geaardheid aannemelijk heeft weten te maken. (…) Op zichzelf genomen heeft verweerder de betreffende werkinstructie toegepast. Echter verklaringen van derden kunnen niet terzijde worden gelegd als “uit die verklaringen niet volgt dat de geaardheid aannemelijk is”. De rechtbank overweegt dat het daarom van nog groter belang is om te bezien of uit de verklaringen van derden steunbewijs volgt. Verweerder heeft dit onvoldoende gedaan, waarbij de rechtbank uitdrukkelijk opmerkt dat verweerder deze verklaringen in onderlinge samenhang met de verklaringen die eiser zelf heeft afgelegd had moeten beoordelen. Verweerder had ook, nu hij zich op het standpunt stelt dat eiser summier en met weinig “diepgang” heeft verklaard over zijn gevoelens, (alsnog) meer vragen kunnen stellen over de bijeenkomsten die eiser bezoekt. Het standpunt van verweerder dat de verklaring van eiser dat hij zich prettig voelt tijdens die bijeenkomsten onvoldoende is om zijn geaardheid aannemelijk te achten is dus een onvoldoende weging van deze verklaringen van derden.
motiverenof en zo ja in welke mate, dit referentiekader invloed heeft gehad op de eisen die verweerder stelt aan de verklaringen van eiser om deze geloofwaardig te achten. Heeft verweerder bijvoorbeeld minder strikt beoordeeld met welke diepgang en gedetailleerdheid eiser heeft verklaard, heeft verweerder minder gewicht toegekend aan tegenstrijdigheden of deze niet tegengeworpen enzovoort. Verweerder heeft een opsomming gegeven van feiten en omstandigheden die voor haar het referentiekader van eiser vormen om vervolgens geen enkele onderbouwde relatie te leggen tussen deze feiten en omstandigheden enerzijds en de geformuleerde tegenwerpingen anderzijds. De rechtbank kan op grond van het besluit en de toelichting ter zitting dan ook niet opmaken dat verweerder het referentiekader daadwerkelijk heeft betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Het vaststellen van het referentiekader van eiser en dit referentiekader vervolgens kenbaar betrekken in de geloofwaardigheidsbeoordeling was echter de wijze waarop verweerder kon proberen om de in de tussenuitspraak benoemde motiveringsgebreken te herstellen. De rechtbank concludeert dat verweerder niet heeft voldaan aan deze opdracht en in wezen geen enkel motiveringsgebrek heeft hersteld.
13 september 2024 vastgestelde gebreken niet heeft hersteld en de geloofwaardigheidsbeoordeling onvoldoende deugdelijk heeft verricht. Verweerder heeft haar besluit en haar aanvullende besluit dus onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd en de rechtbank zal beide besluiten vernietigen. Omdat de geloofwaardigheidsbeoordeling niet deugdelijk is verricht, zal de rechtbank de beroepsgronden gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet beoordelen. De afwijzing van de asielaanvraag houdt geen stand en het (aanvullende) besluit wordt vernietigd, wat betekent dat ook de grondslag van terugkeerbesluit en het inreisverbod komen te vervallen. De rechtbank geeft verweerder overigens mee dat de afdoeningsmodaliteit van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, Vw 2000 onjuist is.