ECLI:NL:RBDHA:2026:2756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL24.36863
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 31 lid 6 ProcedurerichtlijnArt. 4:6 Algemene wet bestuursrechtArt. 10 lid 1 onder e Kwalificatierichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Sri Lankaanse Tamil op politieke gronden bevestigd ondanks gebrekkige motivering heroverweging

Eiser, een Sri Lankaanse Tamil, verzocht om asiel op basis van politieke overtuiging en activiteiten in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was dat eiser in negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. De rechtbank bevestigt deze afwijzing.

Eerder waren eerdere asielaanvragen van eiser ook afgewezen, waarbij verklaringen over zijn politieke activiteiten en detentie als ongeloofwaardig werden beoordeeld. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het nieuwe beleid (WI 2024/6) toepaste en dat het overschrijden van de beslistermijn niet automatisch leidt tot verlening van asiel.

Eiser stelde dat hij door zijn politieke activiteiten, waaronder deelname aan herdenkingen en sociale media, wel degelijk risico loopt, maar de rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd. Het Thematisch ambtsbericht bevestigt dat prominente figuren worden gevolgd, maar eiser wordt niet als zodanig gezien.

De rechtbank vernietigt het besluit over de afwijzing van het verzoek om heroverweging omdat de minister ten onrechte stelde dat jurisprudentie van het Hof van Justitie geen nieuw element kan zijn. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand, zodat eiser geen asiel krijgt.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit over de heroverweging wordt vernietigd, maar de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.36863

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van der Woning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en zijn politieke activiteiten in Nederland in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat of zal komen te staan. Wel is de rechtbank van oordeel dat de minister het verzoek om heroverweging op onjuiste gronden heeft afgewezen. Het beroep is om die reden gegrond. De rechtbank ziet echter reden om de rechtgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De uitspraak is als volgt opgebouwd. Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij is van Sri Lankaanse nationaliteit. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 september 2024 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL24.36864, op 29 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Vorige en huidige procedure(s)
3. Eiser heeft op 2 november 2010 een eerste aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft de minister bij besluit van 25 april 2012 afgewezen. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft in de uitspraak van 27 augustus 2012 het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 25 april 2012 vernietigd. [1] Het door eiser ingestelde hoger beroep is ongegrond verklaard door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met de uitspraak van 8 juli 2012. [2] Vervolgens heeft de minister de aanvraag van eiser bij besluit van 4 september 2013 opnieuw afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep en hoger beroep door eiser zijn ongegrond verklaard. [3] Hiermee is in rechte vast komen te staat dat de verklaringen van eiser over de gestelde activiteiten voor de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) en de Tamil National Alliance (TNA), de gestelde periode van detentie vanaf mei 2009 en de ondergane behandeling en de wijze van ontsnapping in september 2010 niet geloofwaardig zijn. De Tamilachtergrond van eiser is wel geloofwaardig, maar er zijn geen aanknopingspunten voor het oordeel dat iedere Tamil bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
3.1.
Eiser heeft op 29 november 2019 een tweede asielaanvraag ingediend. Hij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Sri Lanka is verslechterd. Deze aanvraag is door de minister met het besluit van 22 juli 2019 niet-ontvankelijk verklaard. Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft het door eiser ingestelde beroep op 26 augustus 2019 ongegrond verklaard. [4] Het daartegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling met de uitspraak van 8 oktober 2019 ongegrond verklaard. Het besluit van 22 juli 2019 staat dus ook in rechte vast.
3.2.
Op 30 juli 2021 heeft eiser zijn derde en huidige asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser zijn politieke overtuiging en de daaraan gekoppelde politieke activiteiten in Nederland ten grondslag gelegd. Ook verzoekt eiser tot een heroverweging van zijn eerdere afwijzende asielbesluiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) Politieke overtuiging en de daaraan gekoppelde politieke activiteiten in Nederland.
4.1.
De minister acht beide elementen geloofwaardig, maar acht de gestelde vrees niet aannemelijk genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag of dat hij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Daarnaast wijst de minister het verzoek om heroverweging van de eerdere afwijzende besluiten af. Op wat de minister daartoe overweegt wordt hieronder – voor zover relevant – nader ingegaan.
Verwijzing naar inwilligende beschikking
5. Eiser heeft in zijn beroepsschrift, onder verwijzing naar een bijgevoegde inwilligende beschikking, betoogd dat hij ook erkend moet worden als vluchteling. Op de zitting heeft eiser deze beroepsgrond laten vallen. De rechtbank bespreekt deze beroepsgrond daarom niet.
Leidt het overschrijden van de uiterste beslistermijn van 21 maanden automatisch tot inwilliging van de asielaanvraag?
6. Eiser stelt allereerst dat, gelet op het beginsel van Unietrouw, het nuttig effect van het Unierecht en het loyaliteitsbeginsel, artikel 31, zesde lid, van de Procedurerichtlijn zo geïnterpreteerd worden dat als de besluitvorming niet binnen 21 maanden is afgerond dit automatisch moet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning. Eiser verzoekt de rechtbank daarnaast het Hof van Justitie de prejudiciële vraag te stellen of de dwangsomregeling bij niet tijdig beslissen voldoende is om het nuttig effect van de Procedurerichtlijn te waarborgen.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat in de tekst noch de strekking van artikel 31 van Pro de Procedurerichtlijn aanknopingspunten zijn te vinden voor het betoog dat een asielaanvraag waarop niet binnen 21 maanden is beslist, moet worden ingewilligd. [5] Dit volgt ook niet uit de woorden ‘in elk geval’ als bedoeld in die bepaling. De verwijzing van eiser naar het loyaliteitsbeginsel en het beginsel van Unietrouw [6] leidt niet tot een ander oordeel, omdat uit deze beginselen ook volgt dat een lidstaat moet beoordelen of aan alle voorwaarden voor verlening van de gevraagde asielvergunning wordt voldaan en omstandigheden die niet raken aan internationale bescherming bij die beoordeling buiten beschouwing moeten worden gelaten. [7] De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten onrechte nieuw beleid toegepast op de asielaanvraag?
7. Eiser stelt dat de minister zijn aanvraag ten onrechte heeft getoetst aan de Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (WI 2024/6) in plaats van aan de Werkinstructie 2014/10 Integrale geloofwaardigheid. De WI 2024/6 is namelijk minder gunstig voor eiser. Verder was de termijn van 21 maanden ten tijde van de inwerkingtreding van dat nieuwe beleid al verstreken en had eiser er dus op mogen vertrouwen dat het oude beleid zou worden toegepast. Bovendien is de WI 2024/6 in strijd met Unierecht.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt allereerst dat de door de minister toegepaste, en in WI 2024/6 opgenomen, geloofwaardigheidsbeoordeling in overeenstemming is met het Unierecht. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 8 september 2025. [8]
7.2.
De minister heeft de asielaanvraag van eiser bovendien mogen beoordelen aan de hand van WI 2024/6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht. [9] De uitzondering dat de minister de aanvraag moet beoordelen aan de hand van het recht op het tijdstip van ontvangst ervan geldt alleen bij een regulier verblijfsrecht, namelijk bij aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf [10] en voor een reguliere verblijfsvergunning. [11] Deze uitzondering is niet van toepassing op asielzaken. [12] Bovendien merkt de rechtbank op dat de minister de asielmotieven van eiser geloofwaardig heeft geacht.
Staat eiser door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten?
8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat hij niet in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten vanwege zijn politieke overtuiging. Zo miskent de minister dan zijn politieke activiteiten in Nederland in de ogen van de Sri Lankaanse autoriteiten allerminst marginaal zijn. Eiser spreekt zich namelijk uit voor een Tamil Eelam en neemt deel aan activiteiten die door de Sri Lankaanse autoriteiten als separatistisch worden aangemerkt. Bovendien volgt niet uit het Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024 (Thematisch ambtsbericht) dat alleen prominente figuren in de gaten worden gehouden. Het gaat ook om personen die zich openlijk hebben uitgelaten voor een onafhankelijk Tamil Eelam. [13] In dat kader verwijst eiser naar de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 27 mei 2021. [14] De activiteiten waar eiser aan deelneemt zijn bovendien openbaar en beelden worden via sociale media verspreid. Uit verschillende artikelen blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten de diaspora nauwgezet volgt. [15] Daarnaast miskent de minister dat de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten zich enkel zou beperken tot organisaties die expliciet als terroristisch zijn aangemerkt. Uit de inhoud van de Prevention of Terrorism Act (PTA) volgt dat eenieder die een bedreiging vormt voor de nationale eenheid voor het land strafbaar is. In beroep heeft eiser bovendien een recente update van de Gazette overgelegd, waaruit volgt dat de Sri Lankaanse autoriteiten tegenwoordig het Tamil Forum Nederland ook als verboden organisatie aanmerken. Verder werkt het Tamil Forum Nederland bij de organisatie van herdenkingsdagen, demonstraties en evenementen samen met het Tamil Coördinating Comittee (TCC) dat ook als terroristische organisatie wordt aangemerkt. [16] Ook de huidige voorzitter is door de Sri Lankaanse autoriteiten als terrorist aangemerkt. Bij terugkeer zullen de Sri Lankaanse autoriteiten eiser via gezichtsherkenningssoftware kunnen koppelen aan de door hem verrichte activiteiten. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op verschillende nieuwsartikelen, het rapport van Freedom House en het rapport van de Immigration and Refugee Board of Canada van 2 mei 2022. [17] Tot slot stelt eiser dat hij toen hij Sri Lanka ontvluchtte illegaal het land is uitgereisd en met een laissez-passer zal moeten terugkeren. Uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat hij alleen daarom al in de verhoogde aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten komt te staan. [18]
8.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft en in Nederland activiteiten heeft verricht in het kader van zijn politieke overtuiging. De vraag die in dit verband als eerste moet worden beantwoord is of eiser door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. In zoverre eiser tijdens de zitting heeft willen betogen dat de minister bij deze beoordeling ook had moeten betrekken dat hij al voor zijn vertrek uit Sri Lanka politieke activiteiten heeft verricht, volgt de rechtbank dit niet. Zowel de politieke activiteiten die eiser in de periode 2002-2006 heeft verricht voor de LTTE als voor de TNA zijn in een eerdere procedure ongeloofwaardig geacht. [19]
8.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling staat van de Sri Lankaanse autoriteiten. Uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat vooral prominente figuren van verboden Tamilorganisaties in het buitenland in de gaten worden gehouden. [20] De minister werpt eiser in dat kader terecht tegen dat het niet aannemelijk is dat eiser als ‘prominent actief’ wordt beschouwd door de Sri Lankaanse autoriteiten, omdat hij slechts marginale activiteiten uitvoert tijdens de door hem bijgewoonde herdenkingen. Eiser heeft immers verklaard dat hij tijdens deze herdenkingen enkel hand- en spandiensten verricht, dat hij met mensen in gesprek gaat en vragen beantwoordt. [21] Eiser is bovendien geen lid van het Tamil Forum Nederland. Wat betreft het feit dat eiser zich ook op sociale media uit, stelt de minister terecht dat niet is gebleken dat de berichten van eiser op sociale media een dusdanig bereik hebben, waardoor het aannemelijk geacht zou moeten worden dat ook de Sri Lankaanse autoriteiten daar kennis van hebben genomen. Uit de overgelegde screenshots blijkt namelijk dat eiser maar één volger heeft, slechts 11 Tweets heeft geplaatst en dat deze slechts zeer recent zijn of dateren van eind 2021 en begin 2022. De rechtbank wijst er verder op dat uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat tijdens de verslagperiode geen daadwerkelijke veroordelingen hebben plaatsgevonden op grond van de PTA. Eventuele arrestaties op grond van de PTA kwamen niet tot een formele aanklacht. [22] Dat eiser bij terugkeer direct zal worden herkend door gezichtsherkenningstechnologie, volgt de rechtbank gelet op bovenstaande overwegingen dan ook niet. Bovendien volgt expliciet uit het Thematisch ambtsbericht dat geen aanwijzingen bestaan dat de Sri Lankaanse autoriteiten gezichtsherkenningstechnologie gebruiken om terugkerende Tamils te herkennen die in het buitenland voor Tamil Eelam actief zijn geweest. [23] Tot slot werpt de minister eiser terecht tegen dat zijn gestelde illegale uitreis in eerdere procedures ongeloofwaardig is geacht. Dat eiser met een laissez-passer moet terugreizen en dat dat problemen oplevert, volgt de rechter evenmin. Hoewel uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat personen die terugkeerden met gebruik van een vervangend reisdocument aanvullend ondervraagd konden worden, betekent dat niet dat daarom een gegronde vrees voor vervolging bestaat. Uit het Thematisch ambtsbericht volgt namelijk ook dat terugkeerders na deze ondervragingen doorgaans de luchthaven weer konden verlaten. [24]
Zal eiser bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten komen te staan?
9. Eiser betoogt verder dat hij als Tamil Eelam-aanhanger zijn opvattingen bij terugkeer in Sri Lanka niet zonder terughoudendheid kan uiten. De minister miskent dat er in Sri Lanka geen Tamil Eelam-beweging aanwezig of actief is uit angst voor vervolging. Eiser verwijst daarbij naar het Thematisch ambtsbericht waaruit volgt dat het naoorlogse politieke Tamil-leiderschap geen campagne meer voerde voor een onafhankelijk Tamil Eelam. [25] De situatie van eiser die wel streeft naar de oprichting van een onafhankelijke Tamilstaat, kan niet gelijk worden gesteld met de positie van een demonstrant binnen Sri Lanka, die niet een Tamil Eelam nastreeft.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Sri Lanka door zijn politieke overtuiging in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten zal komen te staan. Uit het Thematisch ambtsbericht blijkt namelijk dat tijdens de verslagperiode veel minder op Tamils gerichte misstanden plaatsvonden, en dat de Tamil-bevolkingsgroep politiek actief is en politieke invloed uitoefent in Sri Lanka. [26] Ook blijkt dat oppositiegroeperingen over het algemeen vrij zijn om vreedzame activiteiten uit te voeren zonder problemen te krijgen van de zijde van de autoriteiten. Prominente Tamil-politici werden in een enkel geval bij een demonstratie gearresteerd maar vaak ook weer dezelfde dag vrijgelaten. Van grootschalige arrestaties en detentie van oppositieleden was tijdens de verslagperiode geen sprake. [27] De minister heeft in de voorgenomen activiteiten van eiser geen reden hoeven zien om aannemelijk te achten dat eiser bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging. De rechtbank heeft hiervoor, onder 8.2, al geoordeeld dat de minister terecht heeft gesteld dat de politieke activiteiten van eiser niet als ‘prominent’ zijn aan te merken en dat uit het Thematisch ambtsbericht volgt dat tijdens de verslagperiode geen daadwerkelijke veroordelingen hebben plaatsgevonden op grond van de PTA. Eventuele arrestaties op grond van de PTA kwamen niet tot een formele aanklacht. [28]
Verzoek om heroverweging
11. Eiser verzoekt tot slot om heroverweging van al zijn eerdere asielbesluiten. De minister heeft in deze besluiten namelijk niet of niet deugdelijk getoetst aan artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het arrest FMS e.a. van het Hof van Justitie volgt dat een uitspraak die eerdere afwijzingen strijdig met het Unierecht verklaart, kan worden aangemerkt als een nieuw element in de zin van artikel 33, tweede lid, onder d, van de Procedurerichtlijn. [29] Dit geldt zelfs wanneer de vreemdeling niet naar een dergelijk arrest heeft verwezen. Het bestuursorgaan moet hier dus ambtshalve op toetsen als een opvolgende aanvraag voorligt. Op de zitting heeft eiser verduidelijkt dat hij hiermee verwijst naar het arrest S.A. van het Hof van Justitie waarin het begrip politieke overtuiging als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e, van de Kwalificatierichtlijn is uitgelegd.
11.1.
De minister heeft het verzoek om heroverweging afgewezen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is volgens de minister van belang dat het verzoek tot heroverweging enkel is gebaseerd op enkele uitspraken van het Hof van Justitie. Rechtspraak en ontwikkelingen in de jurisprudentie, bijvoorbeeld belangrijke uitspraken van de Afdeling of arresten van het Hof van Justitie of het EHRM, kunnen volgens de minister op grond van nationale vaste rechtspraak niet worden beschouwd als nova. [30] Daarnaast heeft de minister overwogen dat de huidige asielaanvraag wordt afgewezen en heroverweging ook om die reden niet aan de orde is.
11.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich bij de afwijzing van het verzoek om heroverweging ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat arresten van het Hof van Justitie geen nova kunnen opleveren. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat arresten van het Hof van Justitie onder omstandigheden wel degelijk nova kunnen opleveren. De minister heeft dit niet onderkend. De enkele verwijzing naar de afwijzing van de huidige aanvraag is evenmin voldoende motivering om het besluit te kunnen dragen. Dit betekent dat het besluit gebrekkig is gemotiveerd en voor vernietiging in aanmerking komt. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten. De minister heeft op de zitting gesteld dat ook als een arrest van het Hof van Justitie wél een novum kan opleveren, het verzoek tot heroverweging alsnog zal worden afgewezen. Daarbij heeft de minister in aanvulling op het besluit verduidelijkt dat de opvolgende asielaanvraag van eiser is afgewezen omdat niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Sri Lankaanse autoriteiten staat en dit bij heroverweging niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank kan dat standpunt, gelet op dat wat zij hiervoor heeft overwogen, volgen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat de minister de afwijzing van het verzoek om heroverweging gebrekkig heeft gemotiveerd. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen voor zover daarin is beslist op het verzoek om heroverweging. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit echter in stand (zie onder 11.2). Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en de afwijzingen van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om heroverweging in stand blijven.
13. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk € 934,-). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover het verzoek om heroverweging daarbij is afgewezen;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand blijven;
  • laat het besluit voor het overige in stand;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 12/16762.
2.Zaaknummer 201209312/1N1.
3.Zaaknummer AWB 13/25480 en zaaknummer 201404158/1N2.
5.Zie Rb. Den Haag, zp. Arnhem 19 augustus 2024, zaaknummer NL24.25144, r.o. 5.1. De Afdeling heeft deze uitspraak op 25 maart 2025 bevestigd en de motivering onder 5.1 van die uitspraak overgenomen (ECLI:NL:RVS:2025:1239).
6.Artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
7.HvJ EU 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2452.
10.Artikel 1.27 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
11.Artikel 3.103 van het Vb 2000, zie ook de toelichting op artikel 3.103 van het Vb 2000, Stb. 2000, 497, p. 172 en de toelichting op artikel 1.27 van het Vb 2000, Stb. 2012, 308, p.13 en 14. Zie ook Stb. 2019, 143, p. 8.
12.Vergelijk ook ABRvS 14 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AR3915 en ABRvS 5 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AL6153, JV 2003/43.
13.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 69.
14.KK and RS (Sur place activities: risk) Sri Lanka [2021] UKUT 0130 (IAC).
15.The Sunday Observer, ‘[persoon A] is dead but not the LTTE and Eelam’ (4 januari 2015), [persoon B], ‘Use of Visual Media by LTTE Front Organisations to Influence Post-war Sri Lanka’ (2021), [persoon C], ‘Time to Act: The LTTE, its Front Organizations, and the Challenge to Europe’, KK and RS (Sur place activities: risk) Sri Lanka [2021] UKUT 0130 (IAC) en een AIVD-melding van 21 juni 2023.
16.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, voetnoot 128.
17.Freedom House, Sri Lanka: Freedom on the Net 2023 Country Report.
18.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 70.
19.Zaaknummer 12/16762 (niet gepubliceerd) en zaaknummer 13/25480 (niet gepubliceerd).
20.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 59-61, 68-69.
21.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 69.
22.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 32-33.
23.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 66.
24.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 64-65.
25.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 28.
26.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 29.
27.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 56.
28.Thematisch ambtsbericht Tamils in Sri Lanka van juni 2024, p. 32-33.
29.14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367.
30.ABRvS 7 april 2003, zaaksnummer 200301231/1 (niet gepubliceerd).