ECLI:NL:RBDHA:2026:2160

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
AWB 24/21437
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 3:41 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning medische behandeling

Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel medische behandeling. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen en het daaropvolgende bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Eiser betoogde dat het primaire besluit niet op het postadres van zijn gemachtigde was ontvangen, waardoor de bezwaartermijn pas later zou zijn gestart. De rechtbank onderzocht de verzendwijze en het bewijs van verzending door verweerder, die gebruikmaakte van een betrouwbaar postverzendingssysteem met registratie via Indigo en een verzendhuis.

De rechtbank concludeerde dat het primaire besluit op de juiste datum en het juiste adres was verzonden en dat eiser onvoldoende feiten had aangevoerd om het vermoeden van ontvangst te ontzenuwen. De bezwaartermijn was daardoor verlopen toen het bezwaar werd ingediend. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar is ongegrond verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/21437

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘medische behandeling’. Verweerder heeft besloten de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen. Verweerder heeft het daartegen ingediende bezwaar van eiser vervolgens niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit te laat zou zijn ingediend. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt namelijk dat hij het primaire besluit niet op het postadres van zijn gemachtigde heeft ontvangen. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat dat het geval is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 19 december 2023 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor het doel ‘medische behandeling’ ingediend.
2.1.
Bij besluit van 20 juni 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen.
2.2.
Op 24 juli 2024 heeft eiser bezwaar ingesteld.
2.3.
Bij besluit van 28 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Verweerder heeft nadere stukken overgelegd.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Standpunt eiser

3. Eiser betoogt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op of rond 20 juni 2024 (per post) is verzonden. Het besluit is niet op het postadres van eisers gemachtigde ontvangen. De gemachtigde heeft het primaire besluit eerst op 23 juli 2024 (per e-mail) ontvangen. De bezwaartermijn is daarom pas op dat moment gaan lopen. Vervolgens is er dezelfde dag nog bezwaar ingesteld.

Beoordeling door de rechtbank

4. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift, in afwijking van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. In artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is bepaald dat deze termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Op grond van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking. In artikel 6:11 van Pro de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. [1]
4.1.
De hoogste bestuursrechters hanteren het uitgangspunt dat, indien in het geval van niet-aangetekende verzending van een besluit de geadresseerde stelt dat deze het besluit niet heeft ontvangen, het bestuursorgaan aannemelijk moet maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het desbetreffende stuk is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient geen sprake te zijn van recente problemen bij de verzending van post. [2]
Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde dat vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat hij het stuk niet heeft ontvangen. Voldoende is dat hij feiten of omstandigheden aanvoert op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld. [3]
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het primaire besluit niet aangetekend is verzonden. Verweerder heeft het besluit verzonden via Indigo en het zogenaamde verzendhuis (‘centrale verzending’). De gemachtigde van eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder de verzending (hiermee) niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank overweegt dat dit postverzendingssysteem van verweerder eerder door de Afdeling is getoetst. [4] Daarbij heeft de Afdeling geoordeeld dat dit postverzendingssysteem een deugdelijk postverzendings(registratie)systeem vormt. Gebleken is dat het gehele verzendproces van verweerder met zodanige waarborgen is omkleed dat het nagenoeg uitgesloten is dat er fouten in de postververzending en in de registratie daarvan worden gemaakt. Concreet betekent het voorgaande dat als een poststuk in Indigo de status ‘bericht verwerkt’ heeft gekregen, onder vermelding van een verzenddatum, aangenomen kan worden dat het desbetreffende poststuk daadwerkelijk op die datum is verzonden.
4.3.
In dit geval is op de screenshots van het registratiesysteem te zien dat het primaire besluit van 20 juni 2024 op diezelfde dag is ‘verwerkt’ en op 21 juni 2024 is verzonden. Uit het primaire besluit blijkt verder dat dit stuk is voorzien van de juiste adressering, te weten het postadres van het kantoor van de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting bovendien verklaard dat er zich niet eerder problemen hebben voorgedaan rondom het ontvangen van post. Tijdens de aanvraagprocedure zijn er bovendien door verweerder meerdere brieven verzonden aan het postadres van de gemachtigde van eiser waarop eiser vervolgens heeft gereageerd. Zodoende is er in de hier van belang zijnde periode niet gebleken van problemen rondom het verzenden en/of ontvangen van post.
4.4.
Gelet op wat er onder 4.2. en 4.3. is overwogen, is door verweerder aannemelijk gemaakt dat het primaire besluit op 21 juni 2024 is verstuurd naar het juiste adres. Het ligt hierdoor vervolgens op de weg van eiser om het vermoeden dat het primaire besluit is ontvangen te ontzenuwen. Hierin is eiser niet geslaagd. Door eiser is namelijk slechts gesteld dat hij het primaire besluit niet op het postadres van zijn gemachtigde heeft ontvangen en dat de gemachtigde in de betreffende periode wel vrijwel dagelijks de postbus heeft geleegd. Dit is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een redelijke twijfel aan te nemen voor wat betreft de ontvangst van dit besluit.
4.5.
Het voorgaande betekent dat de bezwaartermijn is aangevangen op zaterdag 22 juni 2024. De bezwaartermijn is daarmee geëindigd op vrijdag 19 juli 2024. Nu het bezwaarschrift pas op 24 juli 2024 is verzonden en ontvangen, is dit te laat ingediend. Door eiser zijn, anders dan dat het primaire besluit niet op het postadres van de gemachtigde is ontvangen, geen redenen naar voren gebracht op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar geacht zou moeten worden zoals bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Zodoende heeft verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar. De beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat nu verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard zonder inhoudelijk op eisers bezwaren tegen het primaire besluit in te gaan, de rechtbank zich in deze uitspraak uitsluitend kan uitlaten over de ontvankelijkheid van het bezwaar. Anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld, kan een inhoudelijke bespreking van het (primaire) besluit om de aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen, in deze beroepsprocedure daarom niet aan de orde zijn.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. de Vries, rechter, in aanwezigheid van A.R. de Groot, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2026.
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie in dit kader ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, r.o. 2.3.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4322.
3.Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3987.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3343 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:10531.