ECLI:NL:RBDHA:2026:21391

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
NL26.21507 en NL26.21508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 12 DublinverordeningArt. 17 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag LHBTIQ+ asielzoeker op grond van Dublinverordening

Eiser, een Jordaanse asielzoeker met een geldig visum van Polen, diende op 20 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen volgens de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Eiser stelde dat vanwege zijn LHBTIQ+ identiteit het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen niet kon worden toegepast, omdat LHBTIQ+ asielzoekers in Polen te maken krijgen met systemische tekortkomingen en risico op onmenselijke behandeling.

De rechtbank oordeelde dat verweerder het besluit onvoldoende had gemotiveerd en dat eiser met objectieve landeninformatie, waaronder een rapport over de situatie van LHBTIQ+ vluchtelingen in Polen, aannemelijk had gemaakt dat het Poolse asielsysteem tekortschiet. Verweerder kon niet volstaan met een standaardvoornemen en moest de individuele omstandigheden meenemen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat op het beroep was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd en de minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.21507 (beroep) en NL26.21508 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser),

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.T.M. Hoppema).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. Eiser stelt de Jordaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. Uit het EU-Vis systeem is gebleken dat Polen hem een visum heeft verleend met een geldigheidsduur van 20 december 2025 tot en met
2 februari 2026. Hij heeft op 20 januari 2026 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Het visum verleend door Polen was toen nog geldig. Verweerder heeft de asielaanvraag met het bestreden besluit van 15 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Gelijktijdig met het instellen van beroep heeft eiser ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
1.2.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter

Wat is de conclusie van deze uitspraak?
2. De rechtbank concludeert in deze uitspraak dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De rechtbank legt hierna uit, aan de hand van de beroepsgronden van eiser, hoe zij tot dat oordeel komt.
Wat houdt het bestreden besluit in?
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. [1] Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). [2] In deze zaak dateren de aanvraag en het bestreden besluit van vóór 12 juni 2026 en heeft verweerder dat besluit dus ook genomen met toepassing van de Dublinverordening. Uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsbescherming beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit niet op grond van artikel 43, eerste lid, van de AMBV, maar nog op grond van artikel 27, eerste lid, van de Dublinverordening.
3.1.
Op grond van de Dublinverordening neemt Nederland een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft verweerder bij de Poolse autoriteiten op
24 maart 2026 een overnameverzoek gedaan. De Poolse autoriteiten hebben dit verzoek op
1 april 2026 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen.
Heeft verweerder kunnen volstaan met een standaardvoornemen?
4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet had mogen volstaan met een standaardvoornemen en dat verweerder de individuele omstandigheden die hij naar voren heeft gebracht had moeten benoemen. De rechtbank volgt dit niet. Daarvoor verwijst zij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 23 november 2023 [3] en 11 april 2025 [4] . Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat daar in zijn geval anders over zou moeten worden geoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ten aanzien van Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mogen uitgaan?
5. Eiser stelt homoseksueel te zijn. In dit kader voert hij aan dat verweerder in zijn geval ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. In haar uitspraak van 12 december 2025 [5] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, namelijk geoordeeld dat niet zonder meer uitgegaan moet worden van dit vertrouwen, omdat LHBTQI+ vluchtelingen in Polen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure. Gebleken is dat er in Polen sprake is van systematische obstakels, een onjuist beoordelingskader, vernederende behandeling en risico op onwettige afwijzingen en refoulement. Ook in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 22 april 2026 [6] wordt deze conclusie getrokken. Eiser loopt vanwege zijn homoseksuele gerichtheid dan ook een reëel risico op een vernederende, onmenselijke behandeling bij overdracht aan Polen. Ter onderbouwing wijst eiser ook op het rapport ‘Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ [7] uit 2025 (hierna: het rapport).
5.1.
De rechtbank is in lijn met de door eiser aangehaalde uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van oordeel dat eiser met het overleggen van het rapport in zijn bewijslast is geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van een systeemfout in het Poolse asielsysteem. De rechtbank wijst erop dat de uitspraak van 12 december 2025 is bevestigd door de Afdeling [8] en dat ook deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg recentelijk een vergelijkbare uitspraak [9] heeft gedaan. Verweerder betwist in het kader van deze procedure niet dat eiser behoort tot de groep LHBTQI+ personen waar het rapport op ziet. Eiser heeft zich voldoende gemotiveerd, en onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, op het standpunt gesteld dat verweerder in zijn geval niet (zonder meer) van het vermoeden kan uitgaan dat Polen aan haar internationale verplichting zal voldoen. Verweerder heeft zich op zitting alleen op het standpunt gesteld dat aan de objectiviteit van de opstellers van het rapport moet worden getwijfeld. Verweerder heeft deze stelling niet geconcretiseerd of onderbouwd. De rechtbank gaat daarom uit van de informatie die in het rapport staat. De beroepsgrond slaagt.
5.2.
Voor zijn standpunt of de aanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in Nederland moet worden behandeld, heeft verweerder onder andere verwezen naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gelet op het voorgaande kan ook dat geen standhouden.
5.3.
Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen. Als hij opnieuw de aanvraag niet in behandeling neemt, moet hij gemotiveerd aannemelijk maken dat hij nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ondanks de informatie in het rapport.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en niet goed is gemotiveerd, waardoor het in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
6.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd.
6.2.
Omdat op het beroep is beslist, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daartoe daarom af.
6.3.
Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt in beroep en in het verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 2.802, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 15 april 2026;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan de gemachtigde van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.E.C. de Groot, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Verordening (EU) nr. 2024/1351, samen met rectificatie 2025/90929.
5.NL25.44452 (niet gepubliceerd).
7.Rapport van Migration Consortium, in samenwerking met Plan International Poland.
8.Zie de uitspraak van 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1611.
9.Zie de uitspraak van 25 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17661.