Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9721

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
NL26.11229 en 26.11230
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 12, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag LHBTIQ+-persoon op grond van Dublinverordening

Eiseres, een LHBTIQ+-persoon van Ghanese nationaliteit, diende op 15 februari 2026 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn, mede gebaseerd op een Schengenvisum dat Polen aan eiseres had verleend.

Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen niet zonder meer kan worden aangenomen vanwege structurele tekortkomingen in de Poolse asielprocedure voor LHBTIQ+-personen. Zij onderbouwde dit met het rapport 'Crossing Double Borders' van 2025, dat juridische obstakels en risico's op onrechtmatige afwijzingen en refoulement voor LHBTIQ+-vluchtelingen in Polen beschrijft.

De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende concrete aanwijzingen had geleverd om het vermoeden dat Polen aan zijn internationale verplichtingen voldoet te weerleggen. De minister slaagde er niet in dit vermoeden gemotiveerd te handhaven. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak.

Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de rechtbank op het beroep zelf had beslist. De minister werd veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.11229 (beroep)
NL26.11230 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag] 1986, van Ghanese nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. F.M. Holwerda),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 27 februari 2026 niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van de minister en de tolk in de Engelse taal, mevrouw C. Antonio, digitaal deelgenomen. De gemachtigde van eiseres heeft in persoon aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiseres aan de hand van de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eiseres heeft op 15 februari 2026 in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit niet in behandeling genomen [1] omdat Polen daarvoor op grond van de Dublinverordening [2] verantwoordelijk is. Uit het door eiseres overgelegde Schengenvisum is namelijk gebleken dat Polen een visum aan haar heeft verleend met de geldigheidsduur van 7 februari 2026 tot 23 maart 2026.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
Het standpunt van eiseres
5. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen. Zij heeft dit standpunt onderbouwd met informatie uit een rapport van de Danish Refugee Council van juni 2025 [3] . Verder heeft eiseres aangevoerd dat zij als LHBTIQ+-persoon te maken zal krijgen met structurele tekortkomingen in de asielprocedure in Polen en verwijst daarbij naar het rapport ‘Crossing Double Borders. LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ [4] uit 2025 (hierna: het Crossing Double Borders rapport).
Het oordeel van de rechtbank
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichting zullen nakomen. De Afdeling [5] heeft recent geoordeeld dat er in Polen geen sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. [6] De minister mag daarom ten aanzien van Polen in beginsel van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uitgaan. Dit vermoeden is echter weerlegbaar. Het is dan aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro EVRM [7] en artikel 4 van Pro het Handvest [8] strijdige behandeling. Als de vreemdeling zich onder verwijzing naar objectieve informatie gemotiveerd op het standpunt stelt dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat de aangezochte lidstaat aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen, dan mag de minister die gegevens niet buiten beschouwing laten en is het aan hem om gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij nog altijd van dat vermoeden mag uitgaan. [9]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin geslaagd en heeft zij zich onder verwijzing naar objectieve landeninformatie gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de minister niet of niet zonder meer van het vermoeden kan uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichting zal voldoen. Zo volgt uit het Double Crossing Borders rapport onder meer:
‘Despite international obligations under the 1951 Refugee Convention and EU asylum directives, LGBTQI+ refugees and migrants in Poland face significant legal obstacles in seeking protection. Polish asylum law does not consistently include SOGIESC [10] as explicit grounds for persecution, leading to inconsistent interpretation and application in asylum adjudications. As documented in this report, asylum seekers are often subjected to inappropriate credibility assessments that require intrusive and humiliating evidence of their identities.
Procedural safeguards, including confidentiality during interviews and vulnerability assessments, are frequently inadequate. Furthermore, the lack of specialised legal aid services for LGBTQI+ applicants means many must navigate complex asylum procedures without informed support, significantly increasing the risk of unlawful rejections and refoulement. These systemic legal barriers not only breach fundamental human rights standards but also further entrench the social and economic exclusion of LGBTQI+ migrants in Poland.’ [11]
Hieruit blijkt dat LHBTIQ+-vluchtelingen te maken krijgen met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure. Deze juridische obstakels zorgen volgens het rapport voor een significant verhoogd risico op onrechtmatige afwijzingen en refoulement.
5.3.
Eiseres heeft hiermee, zoals ook eerder overwogen door deze rechtbank [12] , voldoende aanknopingspunten gegeven om het vermoeden dat Polen aan zijn internationale verplichtingen ten aanzien van LHBTIQ+-personen in de asielprocedure zal voldoen, te weerleggen. Het is dan vervolgens aan de minister om gemotiveerd aannemelijk te maken dat hij wél nog steeds van dat vermoeden mag uitgaan ten aanzien van Polen.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier niet in geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe dat, anders dan de minister in het verweerschrift stelt, de bevindingen in het rapport niet slechts kanttekeningen zijn bij de wijze waarop in Polen seksuele oriëntatie als beschermingsgrond wordt geïnterpreteerd. Met het standpunt van de minister ter zitting dat uit het rapport niet volgt dat geen van de asielaanvragen van LHBTIQ+-personen kans van slagen hebben, hanteert hij voorts ook niet de juiste maatstaf. Naar het oordeel van de rechtbank houdt ‘structureel’ als bedoeld in voornoemde jurisprudentie van de Afdeling niet in dat iets in alle gevallen moet gebeuren, maar dat er sprake moet zijn van een wezenlijk en terugkerend patroon.
5.5.
De beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister zal in het nieuw te nemen besluit, naar aanleiding van het rapport, gemotiveerd aannemelijk moeten maken dat hij ten aanzien van LHBTIQ+-personen nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister dient binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
7. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.11229:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer NL26.11230:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/ voorzieningenrechter,
in beide zaken,
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 12, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Danish Refugee Council: Poland; Reception conditions and access to the asylum procedure for Dublin returnees, juni 2025.
4.Rapport van Migration Consortium, in samenwerking met Plan International Poland.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie de uitspraak van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
9.Zoals de Afdeling ook bevestigd in de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.3.
10.Afkorting voor ‘sexual orientation, gender identity or expression, sex characteristics’.
11.Zie pagina 7 en 8 van het rapport.
12.Zie uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 12 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10889. Overigens is deze uitspraak op 15 april 2026 bevestigd door de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2026:1611.