ECLI:NL:RBDHA:2026:17661

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20452
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 30, eerste lid, VwArt. 12, vierde lid, DublinverordeningArt. 18, eerste lid, onder a, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering asielaanvraag wegens onvoldoende motivering interstatelijk vertrouwensbeginsel Polen voor LHBTI-vluchteling

Eiser, een Ugandese LHBTI-vluchteling, diende op 31 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze niet in behandeling, omdat Polen verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zou voldoen, mede vanwege discriminatie en risico's voor LHBTI-vluchtelingen in Polen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet gehouden was eiser aanvullend te horen over bezwaren tegen overdracht aan Polen, aangezien eiser schriftelijk en tijdens de zitting zijn bezwaren had kenbaar gemaakt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel is weerlegbaar indien concrete aanwijzingen bestaan dat overdracht leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro.

Eiser had voldoende onderbouwd dat Polen tekortkomingen vertoont in de bescherming van LHBTI-vluchtelingen, onderbouwd met objectieve landeninformatie uit het rapport 'Crossing Double Borders'. Verweerder slaagde er niet in dit te weerleggen. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige motivering bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zeker bij kwetsbare groepen zoals LHBTI-vluchtelingen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20452

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.E. Joseph).

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen als [tolk] .

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2000 en de Ugandese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 31 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. [1] Uit EUVIS is gebleken dat Polen aan eiser een visum heeft verstrekt met een geldigheidsduur van 21 april 2024 tot 12 mei 2024, maar dat dit visum op 24 april 2024 is ingetrokken. Ook volgt uit Eurodac dat eiser asiel heeft aangevraagd in Denemarken op 6 mei 2024. Denemarken heeft het claimverzoek van verweerder van 9 december 2025 afgewezen, omdat Polen op 5 juni 2024 akkoord is gegaan met het claimverzoek van Denemarken [2] en de termijn voor overdracht nog niet is verstreken. Verweerder heeft Polen daarom op 16 december 2025 gevraagd om eiser terug te nemen. [3] Polen heeft dit verzoek op 9 januari 2026 aanvaard.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in zijn situatie ten aanzien van Polen mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser is homoseksueel en dat wordt door verweerder niet betwist. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 15 april 2026 [5] op het hoger beroep tegen de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 12 december 2025. [6] Hij stelt zich op het standpunt dat, anders dan in het bestreden besluit is overwogen, veel waarde toekomt aan de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam, te meer vanwege de bevestiging van deze uitspraak door de Afdeling. Eiser meent dat de motivering in het bestreden besluit geen stand houdt, omdat hij in de zienswijze specifiek naar landeninformatie heeft verwezen die ook in deze uitspraak wordt gebruikt, namelijk het rapport
‘Crossing Double Borders’ [7] , waardoor verweerder er niet c.q. niet zonder meer van kan uitgaan dat Polen aan zijn internationale verplichtingen zal voldoen. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat door verweerder geen zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, omdat eiser niet is gehoord over zijn mogelijke bezwaren tegen een overdracht aan Polen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat verweerder onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar zijn bezwaren tegen een overdracht aan Polen. Anders dan eiser stelt, was verweerder niet gehouden om hem na het gehoor over zijn bezwaren tegen een mogelijke overdracht aan Denemarken opnieuw te horen over zijn bezwaren tegen een overdracht aan Polen. Eiser is middels het indienen van de zienswijze voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen een overdracht aan Polen schriftelijk kenbaar te maken. Eiser heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Daarbij heeft eiser middels het instellen van beroep en het verschijnen ter zitting tevens zijn bezwaren kunnen uiten. Eiser heeft verder niet nader onderbouwd welk nadeel hij heeft ondervonden als gevolg van het feit dat hij niet aanvullend is gehoord. De rechtbank oordeelt daarom dat niet is gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad.
5. Verweerder mag ten aanzien van Polen in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft dit in de uitspraak van 14 augustus 2025 opnieuw bevestigd. [8] Dit vermoeden is echter weerlegbaar, indien eiser met concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser dient in dat geval aannemelijk te maken dat hij bij een overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [9] en artikel 4 van Pro het Handvest [10] strijdige behandeling, waarbij sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die de hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken zoals bedoeld in het arrest Jawo. [11] Dit dient eiser te motiveren aan de hand van feiten en omstandigheden over zijn eigen ervaring en/of door middel van objectieve landeninformatie. [12]
6. De rechtbank constateert allereerst dat door partijen niet wordt betwist dat eiser behoort tot de LHBTIQ+ gemeenschap. Eiser heeft zich voldoende gemotiveerd, en onder verwijzing naar objectieve landeninformatie, op het standpunt gesteld dat verweerder daarom in zijn geval niet (zonder meer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Het is aan verweerder om gemotiveerd, en met inachtneming van de door eiser overgelegde gegevens, aannemelijk te maken dat wel van dit vermoeden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. [13] Verweerder is daar niet in geslaagd. Verweerder heeft de verwijzing van eiser naar het rapport
’Crossing Double Borders’zowel in het bestreden besluit als ter zitting onvoldoende gemotiveerd weerlegd. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat in dit rapport slechts kanttekeningen worden geplaatst bij de wijze waarop Polen omgaat met de asielaanvragen van LHBTIQ+-vluchtelingen. Zo blijkt uit het door eiser aangehaalde rapport onder meer dat LHBTIQ+-vluchtelingen discriminatie en structurele hindernissen ervaren ten aanzien van het verkrijgen van bescherming binnen en asielsysteem [14] , dat deze gemeenschap te maken krijgt met aanzienlijke juridische obstakels in hun asielprocedure en dat zij in vluchtelingenopvangcentra vaak slachtoffer zijn van pesterijen, isolement en het risico op queerfobisch geweld van andere gedwongen migranten, evenals onvoldoende toegang tot psychosociale en juridische hulp. Dit zorgt volgens het rapport voor een significant verhoogd risico op onrechtmatige afwijzing van de asielaanvragen en refoulement. Dat volgens verweerder geen sprake is van stelselmatigheid aan de zijde van de Poolse autoriteiten is zowel in het bestreden besluit als ter zitting onvoldoende gemotiveerd.
7. Deze beroepsgrond slaagt. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal in het nieuw te nemen besluit, naar aanleiding van het rapport
‘Crossing Double Borders’,gemotiveerd aannemelijk moeten maken dat hij nog altijd in het geval van eiser kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijdigheid met artikel 3:2 en Pro artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank draagt verweerder op, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van €907,- bij een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening.
3.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder a, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (hierna: Dublinverordening).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2026:1611.
6.NL25.4452.
7.Rapport Crossing Double Borders: LGBTQI+ displacement to Poland: persecution, discrimination and challenges in accessing humanitarian assistance’ uit 2025 (hierna: rapport ‘Crossing Double Borders’).
9.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
11.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2024:3455, rechtsoverweging 4.2.
13.Vergelijk het arrest van het Hof van 16 februari 2017., ECLI:EU:C:2017:127 (C.K.), punten 75-77.
14.Pagina 7 van het rapport Crossing Double Borders.