ECLI:NL:RBDHA:2026:2137

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.27818 en NL25.27819
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:12 AwbArtikel 64 VwArtikel 3:46 AwbHandvest EU artikel 7
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wegens motiveringsgebrek

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk op grond van zijn privéleven in Nederland volgens artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees de aanvraag af na een belangenafweging, mede gebaseerd op medische adviezen van het Bureau Medische Advisering (BMA).

Eiser betwistte de afwijzing en voerde aan dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn noodzaak voor 24-uurszorg in Nederland, de ontoegankelijkheid van de zorginstelling in Marokko, zijn langdurig verblijf en sociale banden in Nederland, en zijn positieve gedragsverandering. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitviel, met name omdat de feitelijke toegankelijkheid en betaalbaarheid van de zorg in Marokko niet adequaat waren onderzocht.

De rechtbank stelde vast dat verweerder niet op de zitting was verschenen en geen verweerschrift had ingediend, waardoor zijn standpunt onvoldoende bekend was. Gelet op het motiveringsgebrek vernietigde de rechtbank het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening af en kende eiser een schadevergoeding van €2.500 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaarprocedure. Verweerder werd tevens veroordeeld tot betaling van proceskosten van €2.802 aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen; schadevergoeding en proceskosten worden toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.27818 en NL25.27819
uitspraak van de (voorzieningen)rechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’. Ook wordt uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 augustus 2022 niet in behandeling genomen wegens het niet betalen van de leges. Eiser heeft in de bezwaarprocedure de leges alsnog betaald. Met het bestreden besluit van 18 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1975 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 20 juni 2022 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘humanitair niet tijdelijk’. Eiser wenst verblijf op grond van zijn privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] .
3. Verweerder heeft eiser vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat uit het BMA [2] -advies van 1 oktober 2024 blijkt dat bij het uitblijven van een behandeling van eiser een medische noodsituatie zal ontstaan. Verder heeft verweerder aangenomen dat eiser privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in Nederland heeft. Verweerder heeft vervolgens een belangenafweging gemaakt in het kader van eisers privéleven, maar deze is in zijn nadeel uitgevallen. Om die reden heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
3.1.
Verweerder heeft na het eerste BMA-advies van 1 oktober 2024 naar aanleiding van vragen van eiser tweemaal een aanvullende BMA-nota uitgebracht, te weten op 19 februari 2025 en 14 mei 2025.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en vindt dat hij wel beschermwaardig privéleven heeft in Nederland. Verweerder heeft in de belangenafweging onvoldoende betekenis toegekend aan de 24-uurszorg die eiser in Nederland krijgt bij zijn ADL [3] . Ook heeft verweerder ten onrechte het standpunt ingenomen dat de medische behandeling geen onderdeel is van eisers privéleven. [4] Ook heeft verweerder niet betrokken dat alle gezinsleden van eiser in Nederland wonen. Bovendien heeft eiser in de periode van 1987 tot en met mei 2014 rechtmatig verblijf gehad in Nederland. Eiser is sinds 2001 niet meer in Marokko geweest en heeft daar geen sociale banden. Verweerder heeft aangegeven dat de aanvraag kan worden afgewezen omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid, maar eiser heeft berouw getoond voor zijn gepleegde strafbare feiten en het is wegens zijn medische omstandigheden voor hem niet meer mogelijk om strafbare feiten te plegen. Bovendien heeft eiser al acht jaar geen strafbare feiten meer gepleegd en heeft hij een positieve gedragsverandering doorgemaakt. Verder heeft verweerder weliswaar ambtshalve aan artikel 64 Vw Pro [5] getoetst, maar verweerder heeft hierbij niet betrokken dat de benodigde zorg in Marokko niet beschikbaar en toegankelijk is. Verweerder heeft ten onrechte niet getoetst aan het (Unierechtelijk) evenredigheidsbeginsel. Tot slot verzoekt eiser om een schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
4.1.
Ten aanzien van de BMA-adviezen voert eiser aan dat het [instelling] in [plaats] in Marokko niet voor hem toegankelijk is. Zo is die instelling bedoeld voor personen van 60 jaar en ouder (wat eiser niet is) en voor personen met de Franse nationaliteit en die de Franse taal machtig zijn (wat voor eiser niet het geval is). Ter zitting heeft eiser zijn stelling dat artsen standaard in de instelling aanwezig moeten zijn, laten vallen maar gepersisteerd bij de stelling dat de laatste BMA-nota niet alle gestelde vragen beantwoordt en daardoor niet zorgvuldig en niet concludent is. Verweerder heeft in de bestreden beschikking tegengeworpen dat eisers stellingen over onder meer de toegankelijkheid voor personen zonder de Franse nationaliteit zijn gebaseerd op eigen aannamen en op basis van informatie van het internet en dat hij dus geen objectieve bewijsstukken heeft overgelegd, terwijl de door eiser aangehaalde informatie van de website van de instelling juist wel objectieve informatie is. Daarnaast zijn de verblijfskosten – zoals blijkt uit de website van het verpleeghuis – voor het [instelling] voor rekening van de bewoner, maar eiser heeft zelf geen financiële mogelijkheden en ook geen familie om zijn verblijf daar te kunnen bekostigen. Gelet op het voorgaande is het [instelling] niet toegankelijk voor eiser en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit wel het geval zou zijn. Ter zitting heeft eiser een – niet gepubliceerde – uitspraak van deze rechtbank van 12 december 2025 overgelegd, waarin is geoordeeld dat er concrete aanknopingspunten waren voor twijfel aan de adviezen van het BMA. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen
Privé en familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM
5.1.
In geschil is of verweerder alle feiten en omstandigheden van eisers belangen in kader van zijn privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM kenbaar heeft betrokken bij de gemaakte belangenafweging en of verweerder de belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van eiser mocht doen uitvallen.
5.2.
Uit vaste jurisprudentie van het EHRM [7] en van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [8] De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. [9] Daarnaast volgt uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter dat privéleven, opgebouwd tijdens illegaal verblijf in Nederland, alleen in uitzonderlijke gevallen kan leiden tot een verplichting tot het laten voortzetten van dat privéleven. [10]
5.3.
Verweerder heeft in bezwaar een BMA-advies opgevraagd naar aanleiding van de overgelegde medische stukken van eiser. Uit het BMA-advies van 1 oktober 2024 volgt dat eiser als gevolg van een beroerte/hersenbloeding halfzijdig verlamd is geraakt en zijn medische situatie zodanig ernstig is dat uitblijven van noodzakelijke medische behandeling een medische noodsituatie op korte termijn (drie tot zes maanden) tot gevolg zal hebben. Zo staat in het BMA-advies dat eiser sinds 2021 in een verpleeghuis woont, waar hij ADL-zorg krijgt, waarbij hij zelfstandig kan eten en drinken als het wordt klaargezet. Daarnaast gebruikt eiser een rolstoel om zich te verplaatsen, maar is hij wel in staat om te lopen. Voor het verplaatsen van en in bed of (rol)stoel kan eiser gebruik maken van een actieve tillift, of geholpen worden door een verzorger. Ook krijgt eiser hulp bij wc-bezoeken. De behandeling van eiser is volgens het advies naar verwachting van langdurige en blijvende aard en in Marokko mogelijk.
5.3.1.
Onder meer omdat uit het onder 5.3. vermelde BMA-advies niet bleek dat er in Marokko een verpleeghuis is waar eiser 24-uurszorg kan krijgen, is de aanvullende BMA-nota van 19 februari 2025 opgesteld. Daarin is vermeld dat het zeer waarschijnlijk is dat eiser 24/7 professionele zorg nodig heeft en dat hij daarvan afhankelijk is. Deze professionele zorg is volgens de nota in een verzorgingshuis in Marokko aanwezig in het [instelling] in [plaats] .
5.3.2.
Als reactie op de aanvullende BMA-nota van 19 februari 2025 heeft eiser aan verweerder te kennen gegeven dat het [instelling] volgens hem ten onrechte geschikt is geacht voor eiser. Zo is het voor eiser niet toegankelijk omdat het volgens de website een bejaardentehuis voor ouderen van 60 jaar en ouder is en eiser dus niet aan de toelatingseisen voldoet omdat hij nog geen 60 jaar oud is en omdat eiser niet de Franse nationaliteit heeft, wat volgens de website ook vereist is. In de aanvullende BMA-nota van 14 mei 2025 staat dat 24/7 zorg in een verpleeghuis voor eiser, die 50 jaar oud is, aanwezig is in het [instelling] .
5.4.
Verweerder heeft in de inhoudelijke toets van het privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM betrokken dat naar aanleiding van het BMA-advies de feitelijke toegankelijkheid van de zorg in Marokko voldoende gewaarborgd is en dat eiser – voor wat betreft zijn medicatie en medische behandeling – niet aan Nederland gebonden is. [11]
5.5.
Ter zitting heeft eiser zijn stelling dat artsen standaard in de instelling aanwezig moeten zijn, laten vallen maar verduidelijkt dat hij verpleeghuiszorg met continue verpleegkundige zorg nodig heeft, die hem kan ondersteunen bij de ADL-handelingen. Als verweerder niets anders te bieden heeft dan het [instelling] in [plaats] , dat voor eiser niet toegankelijk is, is het advies volgens eiser niet passend voor zijn situatie, ook al is vermeld dat het [instelling] slechts één behandeloptie is.
5.6.
De rechtbank is, enigszins terughoudend toetsend, van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de onderbouwde stelling van eiser dat de noodzakelijke medische zorg voor hem niet, althans onvoldoende, feitelijk toegankelijk is in Marokko. Eiser heeft gedurende de procedure op verschillende momenten aangegeven dat het [instelling] – volgens informatie op de eigen website – een luxe bejaardentehuis is en eiser zelf niet beschikt over voldoende middelen om zijn verblijf en de voor hem noodzakelijke zorg te bekostigen. Ook is eiser door zijn medische situatie niet in staat om te werken en heeft hij bovendien aangegeven geen sociaal netwerk te hebben dat hem eventueel kan ondersteunen bij de bekostiging van zijn verblijf en de benodigde zorg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de medische zorg voor eiser toegankelijk is, nu verweerder niet gemotiveerd is ingegaan op de kosten van het verblijf en de bijbehorende zorg. Daarnaast heeft eiser in een reactie op het BMA-advies, in de beroepsgronden en ter zitting naar voren gebracht dat hij geen Frans spreekt en niet de Franse nationaliteit bezit en geen zestigplusser is, terwijl het [instelling] – volgens informatie op de eigen website – bedoeld is voor zestigjarigen en ouder die Franstalig zijn en met de Franse nationaliteit. Verweerder heeft op deze stelling noch in het bestreden besluit, noch in het BMA-advies een (concrete) reactie gegeven. Verder heeft eiser ter zitting toegelicht dat uit zijn eigen onderzoek is gebleken dat een verzorgingshuis dat voldoet aan zijn behoeftes en voor hem toegankelijk is niet bestaat in Marokko en hij deze informatie heeft verstrekt aan verweerder per mail op 27 januari 2025. De rechtbank stelt vast dat een reactie van verweerder op deze informatie of zijn standpunt niet bekend is, nu hij geen verweerschrift heeft ingediend en niet op zitting aanwezig was. Ten aanzien van het standpunt van verweerder in het bestreden besluit dat het BMA-advies het [instelling] slechts één behandeloptie betreft en dat er mogelijk nog meer instanties of instellingen in Marokko zijn die de benodigde zorg kunnen geven, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de behandeling mogelijk ook nog op andere plekken beschikbaar is, nu in het BMA-advies geen openbare, algemene informatiebronnen over verpleeghuizen zijn benoemd.
6. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van eisers privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM in zijn nadeel is uitgevallen. Er is daarom sprake van een motiveringsgebrek [12] in het bestreden besluit. Bovendien was verweerder niet aanwezig op de zitting en heeft hij ook geen verweerschrift ingediend, om die reden is niet bekend wat verweerders standpunt is over deze beroepsgronden. Nu het aan verweerder is om op basis van alle door eiser naar voren gebrachte punten te motiveren waarom hij de aanvraag voor afgifte van verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’ afwijst, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder de opdracht te geven een nieuw besluit te nemen waarbij hij deze informatie betrekt. De overige beroepsgronden behoeven daarom op dit moment geen nadere bespreking meer.
7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb. Het beroep is daarom gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de aard van het motiveringsgebrek, ziet de rechtbank geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen, waarbij hij opnieuw een belangenafweging in het kader van eisers privéleven moet maken.
Overschrijding redelijke termijn / verzoek om schadevergoeding
8. Eiser heeft een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling [13] dat als uitgangspunt een redelijke termijn van vier jaar geldt voor de afdoening van bestuursrechtelijke geschillen die bestaan uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties. Die termijn bestaat uit een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaar heeft ontvangen. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, dan geldt een immateriële schadevergoeding van € 500,- voor ieder half jaar waarmee de redelijke termijn wordt overschreden.
8.1.
Eiser heeft op 20 september 2022 bezwaar ingesteld en verweerder heeft op 18 juni 2025 besloten op het bezwaar. [14] De bezwaarprocedure heeft daarmee twee jaar, acht maanden en 29 dagen geduurd jaar geduurd, twee jaar en twee maanden langer dan de redelijke termijn toelaat. Eiser heeft beroep ingesteld op 23 juni 2025. De beroepsprocedure heeft met de uitspraak van vandaag dus afgerond zeven maanden geduurd, zodat de redelijke termijn in beroep niet is overschreden. Er zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die maken dat de termijnoverschrijding in de bezwaarprocedure (deels) voor rekening van eiser komt. De rechtbank ziet daarom aanleiding om te oordelen dat de vergoeding van de termijnoverschrijding in de bezwaarprocedure in zijn geheel voor rekening komt van verweerder. Daarbij wordt uitgegaan van een bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. Bij de hiervoor vastgestelde overschrijding bedraagt de schadevergoeding dus € 2.500,-.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 2.500,-.
12. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank in dit geval aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.802-. [15]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een schadevergoeding van € 2.500,- moet betalen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Bureau Medische Advisering.
3.Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen.
4.Eiser wijst in dit kader op een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 november 2022, C-69-21, X tegen Nederland, r.o. 93 en artikel 7 van Pro het Handvest EU.
5.Vreemdelingenwet 2000.
6.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, zaaknummers NL24.31156 en NL24.31157.
7.Europees Hof voor de Rechten van de Mens
8.Onder meer uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 13 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2661, en 7 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1920.
11.Deze werkwijze is neergelegd in Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, p. 25.
12.Op grond van artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5355.
14.Verweerder heeft in eerste instantie de aanvraag niet in behandeling genomen omdat eiser geen leges had betaald. Blijkens het daarna door verweerder gedane verzoek om medische stukken heeft verweerder de aanvraag toch in behandeling genomen. Daaruit trekt de rechtbank de conclusie dat de redelijke termijn is aangevangen op het moment van de aanvraag.
15.1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met waarde € 934,- per punt, wegingsfactor 1.