ECLI:NL:RBDHA:2026:2090

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2960
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 EVRMRichtlijn 2008/115Art. 5 lid 4 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting naar Marokko

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die op 26 september 2025 is opgelegd. De rechtbank toetst de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel over de periode van 15 december 2025 tot 26 januari 2026, aangezien eerdere toetsing plaatsvond tot 15 december 2025.

Ondanks een overschrijding van de wettelijke termijn voor het sluiten van het vooronderzoek door de rechtbank, wordt dit niet als onrechtmatig beoordeeld omdat de beslissing voortvarend is genomen en eiser niet in zijn belangen is geschaad. Eiser voert aan dat de gronden voor de bewaring niet kunnen dragen en dat een lichter middel had moeten worden toegepast, maar deze gronden zijn reeds eerder beoordeeld en slagen niet.

De rechtbank overweegt dat er in het algemeen zicht is op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn, ook zonder paspoort van eiser. De lopende laissez-passer-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten en het voortvarend handelen van verweerder, waaronder regelmatige rappelleringen en vertrekgesprekken, ondersteunen dit. Er is geen sprake van onvoldoende voortvarendheid.

Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid, inclusief het beginsel van non-refoulement en het belang van het familie- en gezinsleven, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2960

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 januari 2026.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 december 2025 (in de zaak NL25.60880) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 december 2025 tot 26 januari 2026.
1.1.
De rechtbank merkt ambtshalve het volgende op. Het beroepschrift is op 17 januari 2026 ingediend. Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw dient het vooronderzoek binnen een week na ontvangst van het beroepschrift te worden gesloten. Dit betekent dat de rechtbank in deze zaak het onderzoek uiterlijk op 24 januari 2026 had moeten sluiten. Door een communicatiestoornis binnen de rechtbank is het vooronderzoek echter op 26 januari 2025 gesloten. De termijn zoals genoemd in artikel 96, eerste lid, van de Vw is dus overschreden.
1.2.
De overschrijding van deze termijn is in dit geval geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Ondanks de termijnoverschrijding is er is echter sprake van een voortvarende beslissing als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Uitgegaan wordt van een periode van 21 dagen tussen het instellen van het beroep en de uitspraak bij een zaak van geringe complexiteit [1] . Aangezien deze termijn niet is overschreden, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring alleen al vanwege het te laat sluiten van het vooronderzoek onrechtmatig te achten. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat zij overeenkomstig artikel 96, tweede lid, van de Vw uitspraak doet op het vervolgberoep binnen een week na de dag waarop zij het vooronderzoek had moeten sluiten. Eiser is als gevolg van de termijnoverschrijding dan ook niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank merkt in verband met de belangen van eiser verder op dat, hoewel de aanvullende beroepsgronden te laat zijn ingediend door eiser, zij deze alsnog in haar beoordeling betrekt.
Gronden van de maatregel en lichter middel
2. Eiser voert aan dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen en dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd.
2.1.
Deze niet onderbouwde beroepsgronden slagen niet. De stelling dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen, ligt in het vervolgberoep niet ter toetsing voor. De gronden van de maatregel zijn al getoetst in de uitspraak van 14 oktober 2025 op het eerste beroep van eiser (NL25.47149). Datzelfde geldt voor de vraag of verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft geen wijzingen in feiten of omstandigheden naar voren gebracht zodat de rechtbank daarover nu niet anders oordeelt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan – zo begrijpt de rechtbank - dat er geen zicht is op uitzetting binnen een afzienbare termijn.
3.1.
De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en 27 januari 2025, ECLI:RVS:2025:219. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de periode voorafgaand aan deze uitspraak in het geval van Marokko nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden, laissez-passers (lp’s) zijn verstrekt en gedwongen vertrekken met een lp hebben plaatsgevonden.
3.2.
Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Weliswaar is uitzetting eenvoudiger te realiseren wanneer eiser zou beschikken over zijn paspoort, maar dat betekent niet dat uitzetting zonder paspoort feitelijk onmogelijk is (zoals eiser in wezen aanvoert). Voor eiser is een lp-aanvraag ingediend op 30 september 2025. Deze lp-aanvraag is nog in behandeling bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat er tot op heden geen (positieve) reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag is ontvangen, betekent, mede gelet op wat er onder 3.1. is overwogen, niet dat thans in eisers geval het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten is in het algemeen de nodige tijd (meerdere maanden) gemoeid, zeker als een vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen enkel document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem uiteindelijk geen lp zal worden afgegeven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hierbij betrekt eiser dat hij in vertrekgesprekken heeft verklaard dat hij geen documenten heeft en ook niet aan deze documenten kan komen. Verweerder diende dit in het kader van de lp-aanvraag mee te nemen en bij de Marokkaanse autoriteiten navraag te doen omtrent de mogelijkheid en termijn van persoonlijke presentatie van een vreemdeling die niet over documenten beschikt. Het is algemeen bekend dat een lp eerst wordt verstrekt na presentatie in persoon en vaststelling van de nationaliteit en identiteit.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode – die loopt van 15 december 2025 tot 26 januari 2026 – op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de op 30 september 2025 ingediende lp-aanvraag. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 6 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Nu verweerder drie- à vierwekelijks rappelleert en een vertrekgesprek heeft gevoerd, heeft verweerder in de te beoordelen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Marokko. Het is de rechtbank voorts ambtshalve bekend dat de Marokkaanse autoriteiten sinds begin juli 2023 niet langer voor alle lp-aanvragen een presentatie in persoon vereisen, maar inmiddels ook op basis van een (aan de hand van vingerafdrukken) vastgestelde identiteit/nationaliteit tot lp-afgifte overgaan. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, slaagt gezien het voorgaande niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.C.M. Burger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 15 januari 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:AZ6461 en van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 28 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17514 (en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op het beroep daartegen, ECLI:NL:RVS:2024:5053).