ECLI:NL:RVS:2024:5053
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie stelde de vreemdeling op 26 augustus 2024 in bewaring. De vreemdeling maakte bezwaar tegen het voortduren van deze maatregel en diende beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 28 oktober 2024 ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.
De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling stelde vast dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep mogelijk is tegen het voortduren van de maatregel van bewaring zoals bedoeld in artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet.
De vreemdeling voerde geen gronden aan die het verbod op hoger beroep konden doorbreken, zoals het ontbreken van een eerlijk proces. Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. De minister is niet gehouden proceskosten te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 10 december 2024.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.