ECLI:NL:RBDHA:2026:20281

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23436
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 3:2 AwbArtikel 3:4, tweede lid, AwbArtikel 3.109c, achtste lid, Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserland

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 behandeld en oordeelt dat het beroep ongegrond is. De minister heeft het verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze terecht afgewezen, omdat het verzoek niet voldeed aan de beleidsregels en de termijn van twee weken na het voornemen strikt moet worden gehanteerd. Eiser had bovendien binnen de termijn een voorlopige zienswijze ingediend en had de medische stukken die hij nu overlegt ook eerder kunnen overleggen.

De rechtbank stelt dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland, dat erop mag vertrouwen dat Zwitserland eiser adequaat zal behandelen conform het Vluchtelingenverdrag, EVRM en Unierecht. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij in Zwitserland onmenselijke of vernederende behandeling zal ondervinden of dat overdracht onevenredig hard is. De medische stukken tonen geen onaanvaardbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand bij overdracht.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat eiser moet terugkeren naar Zwitserland. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Zwitserland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.23436

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F.M. Reidinga).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Biada als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] Zwitserland is partij bij de Dublinverordening op grond van een daartoe strekkende overeenkomst. [2] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.

Heeft de minister het besluit onzorgvuldig voorbereid of onevenredig gehandeld door geen uitstel te verlenen voor het indienen van de zienswijze?

4. Eiser voert aan dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid [3] dan wel onevenredig heeft gehandeld. [4] De gemachtigde van eiser heeft de minister verzocht om uitstel te verlenen voor het indienen van de zienswijze wegens een overvolle agenda. De minister heeft dat verzoek afgewezen, omdat het niet voldoet aan zijn beleidsregels voor het verlenen van uitstel. [5] Dat is excessief formalistisch. Op de zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat, als de minister het uitstelverzoek had toegewezen, de gemachtigde toen medische stukken over eisers hartproblemen had kunnen overleggen en de minister BMA [6] had kunnen inschakelen om daarnaar onderzoek te doen.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister niet onzorgvuldig of onevenredig heeft gehandeld door het verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze af te wijzen. De termijn voor het indienen van een zienswijze is twee weken na het voornemen. [7] De minister mocht daaraan in dit geval vasthouden. Daarbij is relevant dat het uitgangspunt van de Dublinverordening is dat snel kan worden vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek. [8] De Dublinverordening hanteert dan ook korte termijnen. [9] Het strookt niet met dat uitgangspunt om ruimhartig uitstelverzoeken toe te wijzen. De reden van het uitstelverzoek, namelijk dat de gemachtigde van eiser een overvolle agenda had en daarom niet eerder een afspraak met eiser kon plannen, is daarbij onvoldoende voor uitstel. Verder voert de minister terecht aan dat hij de gemachtigde van eiser desgevraagd al een keer uitstel heeft verleend wegens de vakantie van de gemachtigde, namelijk om te reageren op de brief waarin de minister aankondigde dat niet Duitsland maar Zwitserland verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek. Bovendien heeft de gemachtigde van eiser binnen de termijn alsnog een ‘voorlopige’ zienswijze ingediend.
4.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat hij de medische stukken die hij nu pas in beroep heeft overgelegd eerder had kunnen overleggen als de minister het verzoek om uitstel voor het indienen van de zienswijze had toegewezen. Deze stukken hebben immers betrekking op een ziekenhuisopname in december 2025, terwijl de termijn voor het indienen van de zienswijze pas verstreek op 14 april 2026. In de zienswijze heeft eiser ook aangevoerd dat hij ernstige medische problemen heeft. Eiser had toen dus al deze stukken kunnen overleggen.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser voert aan dat de minister zich niet langer kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
In Zwitserland is de toegang tot medische voorzieningen voor eiser geenszins gegarandeerd. Uit het AIDA [10] -rapport voor Zwitserland over 2024 van mei 2025 volgt dat Zwitserland de toegang tot opvangvoorzieningen en medische zorg beperkt voor personen die een herhaald asielverzoek indienen, zoals eiser.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel ten opzichte van Zwitserland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat de minister erop mag vertrouwen dat Zwitserland eiser in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierecht zal behandelen. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er ook van uitgaan dat de medische voorzieningen in Zwitserland vergelijkbaar zijn aan die in Nederland. [11] Overdracht aan Zwitserland is niet mogelijk als ernstig moet worden gevreesd voor onmenselijke of vernederende behandelingen. [12] Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid. Die wordt bereikt als de levensomstandigheden een zeer vergaande materiële deprivatie meebrengen waardoor eiser in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. [13] Eiser moet dat aannemelijk maken. [14]
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister mag voor Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [15] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat in zijn geval anders is. Dat eiser in Nederland is opgenomen in het ziekenhuis wegens hartproblemen is onvoldoende om aan te nemen dat eiser in Zwitserland terechtkomt in een toestand van zeer vergaande materiële deprivatie. Uit het AIDA-rapport voor Zwitserland over 2025 van mei 2026 volgt immers dat iedereen die op Zwitsers grondgebied verblijft een onvoorwaardelijk recht heeft op spoedeisende hulp. [16] Dat geldt ook voor vreemdelingen die een afwijzende beslissing op hun asielverzoek hebben gekregen. [17] Ook voor eiser is er dus spoedeisende hulp beschikbaar. Eiser heeft niet onderbouwd waarom toegang tot spoedeisende hulp in zijn geval onvoldoende zou zijn. De minister heeft ook niet onzorgvuldig gehandeld door BMA geen onderzoek naar eiser te laten doen. De medische stukken die eiser heeft overgelegd vormen daartoe onvoldoende aanleiding. Die stukken bevestigen dat eiser in december 2025 in het ziekenhuis is opgenomen wegens hartproblemen en dat eiser op 1 juli 2026 een afspraak heeft gehad voor een echocardiografisch onderzoek, maar bevatten geen enkele aanwijzing over welke zorg eiser nodig heeft en dat deze zorg in Zwitserland niet beschikbaar is als spoedeisende hulp.
Mocht de minister oordelen dat overdracht van eiser aan Zwitserland is toegestaan op grond van de arresten Tarakhel en C.K. en dat overdracht niet onevenredig hard is?
6. Eiser voert aan dat hij gelet op de arresten Tarakhel en C.K. niet, althans niet
zonder individuele garanties van Zwitserland, aan Zwitserland kan worden overgedragen.
Hij voert ook aan overdracht aan Zwitserland in zijn geval onevenredig hard is. De medische situatie van eiser staat daaraan in de weg.
6.1.
Uit het arrest Tarakhel volgt dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht de aangezochte lidstaat om aanvullende garanties moet vragen. [18] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bijzonder kwetsbaar is en dat hij zonder aanvullende garanties geen toereikende zorgvoorzieningen zal krijgen. [19] Eiser is daar niet in geslaagd. Hij heeft immers niet concreet gemaakt dat de zorgvoorzieningen in Zwitserland voor hem onvoldoende zijn, mede gelet op wat de rechtbank hiervoor in 5.2 heeft overwogen.
6.2.
Uit het arrest C.K. volgt dat overdracht aan de aangezochte lidstaat niet mogelijk is als overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor de gezondheidstoestand van eiser, gelet op de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand. [20] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit het geval is met objectieve gegevens, zoals medische attesten. Eiser heeft niet onderbouwd dat overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen heeft voor zijn gezondheidstoestand. De documenten die eiser heeft overgelegd wijzen erop dat eiser in Nederland in het ziekenhuis is geweest wegens hartproblemen, maar bevatten geen aanwijzingen dat overdracht van eiser een onaanvaardbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand oplevert, bijvoorbeeld omdat hij niet kan reizen.
6.3.
Tot slot kan de minister besluiten om het asielverzoek van eiser te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. [21] Dat kan de minister doen als overdracht van eiser onevenredig hard is. De minister maakt niet snel gebruik van deze bevoegdheid. [22] De rechtbank oordeelt dat de minister ervan uit mocht gaan dat overdracht van eiser niet onevenredig hard is. Mede gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het feit dat eiser hartproblemen heeft en dat de toegang tot zorg in Zwitserland voor hem wordt beperkt daarvoor onvoldoende.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van D.K. Bloemers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Besluit van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend (2008/147/EG).
3.In de zin van artikel 3:2 van Pro de Awb.
4.In de zin van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb.
5.Neergelegd in paragraaf C1/2.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
6.Bureau Medische Advisering.
7.Artikel 3.109c, achtste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Overweging 5 van de Dublinverordening.
9.Bijvoorbeeld in artikel 23, tweede lid, artikel 25, eerste lid en artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
10.Asylum Information Database.
11.ABRvS 23 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2486, r.o. 6.1.
12.Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
13.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93 (Jawo).
14.ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.1-4.2.
15.ABRvS 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864, r.o. 1.
16.P. 93.
17.P. 109.
18.EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
19.ABRvS 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223, r.o. 2.2.
20.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
21.Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
22.Paragraaf C2/5 van de Vc.