ECLI:NL:RBDHA:2026:20168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
NL26.37659
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 50a VwArt. 62c VwArt. 44 AMB-Vo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens zicht op overdracht aan lidstaat

Eiser, een Ethiopische vreemdeling, werd op 7 juli 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) vanwege een concreet zicht op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat binnen de EU. De maatregel werd opgelegd met het oog op overdracht aan Duitsland, maar deze overdracht werd geannuleerd omdat Frankrijk verantwoordelijk werd voor de asielaanvraag. Later bleek België mogelijk verantwoordelijk te zijn op basis van Eurodac-treffers.

Eiser voerde aan dat de staandehouding en ophouding onrechtmatig waren en dat de grondslag van de bewaring was komen te vervallen. De rechtbank oordeelde dat de staandehouding terecht was gebaseerd op artikel 50, eerste lid, van de Vw, omdat het rechtmatig verblijf van eiser was geëindigd door vertrek met onbekende bestemming. Ook de ophouding was rechtmatig, ondanks dat de identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld.

De rechtbank stelde vast dat er voldoende concrete aanwijzingen waren dat eiser onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo) viel en dat een onderduikrisico bestond. De gronden a en q uit het Vreemdelingenbesluit 2000 werden als feitelijk juist beoordeeld. Het ontbreken van een overdrachtsbesluit aan België deed niet af aan het zicht op overdracht, omdat een Eurodac-treffer voldoende is.

De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om schadevergoeding en wees het af. De procedurekosten werden niet aan eiser toegekend. De uitspraak bevestigt dat de maatregel van vreemdelingenbewaring rechtmatig was en dat het zicht op overdracht aan België voldoende concreet was om de bewaring te rechtvaardigen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.37659

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 7 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. [2]
De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1987 en de Ethiopische nationaliteit te hebben.
Toetsingskader
2. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-Vo) [3] van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van Pro de AMB-Vo. [4] In de AMB-Vo staat dat de lidstaten, wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. [5]
3. Op grond van het Vb [6] kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de AMB-Vo indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde
. [7] De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. [8]
4. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. [9]
Grondslag van de staandehouding en ophouding
5. Eiser voert aan dat zowel de staandehouding als de ophouding op een onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. De staandehouding heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, eerste lid, van de Vw, terwijl eiser gelet op zijn rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw op grond van artikel 50a, eerste lid, van de Vw had moeten worden staandegehouden. Daarnaast is eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Gelet op de gebreken in het voortraject dient een belangenafweging plaats te vinden die in het voordeel van eiser moet uitvallen.
6. Ten aanzien van de grondslag van de staandehouding overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 62c van de Vw eindigt het rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw van rechtswege wanneer de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt. Niet in geschil is dat eiser op 8 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling [10] van 11 april 2019 [11] oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers rechtmatig verblijf is geëindigd door met onbekende bestemming te vertrekken. De omstandigheid dat eiser zich op 25 mei 2026 opnieuw bij het COA [12] heeft gemeld voor opvang, maakt dit niet anders. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt immers dat dit rechtmatig verblijf niet herleeft indien de vreemdeling zich nadien opnieuw bij de opvanglocatie meldt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet langer beschikte over rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder m, van de Vw, zodat de staandehouding terecht op artikel 50, eerste lid, van de Vw is gebaseerd.
7. Ten aanzien van de grondslag van de ophouding overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is staandegehouden op verzoek van DT&V [13] in het kader van een voorgenomen inbewaringstelling. De inbewaringstelling was daarmee reeds voorbereid, zodat verweerder wist met welke vreemdeling hij te maken had. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 7 juli 2026, waaruit blijkt dat de verbalisant eiser in zijn bed zag liggen en hem herkende aan de hand van de aan hem verstrekte foto uit het vertrekdossier van DT&V. [14] Dat de identiteit van eiser niet onmiddellijk aan de hand van een identificerend document kon worden vastgesteld, betekent niet dat eiser niet op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw mocht worden opgehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de ophouding terecht op artikel 50, derde lid, van de Vw heeft gebaseerd.
8. Nu de rechtbank geen gebrek in de staandehouding of ophouding heeft geconstateerd, bestaat geen aanleiding voor een belangenafweging. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag van de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
9. Verder voert eiser aan dat de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring is komen te vervallen. De maatregel is opgelegd met het oog op overdracht aan Duitsland, waarbij het overdrachtsbesluit aan Duitsland als uitgangspunt heeft gediend. Inmiddels is echter gebleken dat Duitsland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Verweerder houdt eiser nu alleen nog in vreemdelingenbewaring om te onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is, wat niet is toegestaan op grond van artikel 59a van de Vw en evenmin op grond van artikel 44 van Pro de AMB-Vo.
10. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2022 [15] volgt dat voor het aannemen van een concreet aanknopingspunt dat de vreemdeling op grond van de Dublinverordening [16] kan worden overgedragen, niet is vereist dat reeds een claim, claimakkoord of overdrachtsbesluit voorligt. Ook een Eurodac-treffer kan daarvoor voldoende zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze lijn, gelet op de overeenkomstige systematiek, ook na de inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact haar gelding behoudt en eveneens van toepassing is op de AMB-Vo.
11. De rechtbank stelt vast dat de voor 15 juli 2026 geplande overdracht van eiser aan Duitsland op 7 juli 2026 is geannuleerd, omdat Duitsland heeft aangegeven dat Frankrijk verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Op 8 juli 2026 heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Hij heeft toen verklaard dat hij in meerdere landen een asielaanvraag heeft ingediend en dat hij vanaf mei 2025, nadat hij in Nederland met onbekende bestemming was vertrokken, tot het moment waarop hij opnieuw in Nederland is aangetroffen, in België heeft verbleven. Vervolgens heeft de regievoerder op 14 juli 2026 onder meer de Eurodac-resultaten van de AVIM [17] ontvangen en deze doorgestuurd naar Bureau Dublin. Uit het nieuwe Eurodac-resultaat blijkt van een treffer van België van 30 september 2025. Diezelfde dag heeft Bureau Dublin bericht dat uit onderzoek van de liaison is gebleken dat België niet bij een ander land heeft geclaimd en dat eisers asielaanvraag op 17 maart 2026 is afgewezen. Verweerder heeft aangegeven uiterlijk 17 juli 2026 een claim bij België te zullen leggen. Gelet op de Eurodac-treffer van België en de verklaringen van eiser bestaat voldoende aanleiding om aan te nemen dat eiser mogelijk aan België kan worden overgedragen. Daarmee is sprake van een concreet aanknopingspunt voor de toepassing van de AMB-Vo. Dat na eisers inbewaringstelling is gebleken dat Duitsland niet meer verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag, maakt dit niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
12. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat concrete aanwijzingen bestaan dat eiser valt onder de werkingssfeer van de AMB-Vo en een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
  • a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
  • d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
  • m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen de termijn die geldt op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;
  • p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
  • r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
13. Eiser betwist alle gronden, met uitzondering van gronden a en q. Hij voert daartoe aan dat niet is gebleken dat hij aliassen heeft opgegeven. De verschillen in de geregistreerde gegevens betreffen geen aliassen, maar registratiefouten. De namen en geboorteplaatsen komen overeen en ook het geboorteland Ethiopië kan niet als onjuiste informatie worden aangemerkt, nu Eritrea ten tijde van zijn geboorte nog onderdeel uitmaakte van Ethiopië. Daarnaast kan grond k niet aan de maatregel ten grondslag worden gelegd, omdat geen sprake meer is van een overdrachtsbesluit, nu is gebleken dat Duitsland niet meer verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Om diezelfde reden kan ook grond m niet worden gehandhaafd, omdat onmiddellijke overdracht dan wel overdracht op zeer korte termijn niet noodzakelijk is. Ten aanzien van gronden p, r en s voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze gronden een onderduikrisico opleveren. Specifiek ten aanzien van gronden r en s voert hij aan dat hij verbleef in een opvanglocatie en daarmee beschikbaar was voor verweerder.
14. Verweerder heeft ter zitting grond m laten vallen.
15. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval gronden a en q terecht aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag heeft gelegd. Ten aanzien van grond a overweegt de rechtbank als volgt. Uit het aanmeldgehoor Dublin van 2 augustus 2022 blijkt dat eiser geen documenten heeft overgelegd, omdat hij deze naar eigen zeggen is kwijtgeraakt. [18] Hieruit kan worden afgeleid dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Daarnaast heeft hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht onttrokken, zoals in rechtsoverweging 5 reeds is vastgesteld. Verder heeft hij zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie bewogen. Uit de Eurodac-treffers blijkt dat eiser in meerdere lidstaten asielaanvragen heeft ingediend. Grond a is daarmee feitelijk juist. Ten aanzien van grond q stelt de rechtbank vast dat eiser op 23 juli 2022 een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag op 4 januari 2023 niet in behandeling genomen. Het daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van 7 februari 2023 ongegrond verklaard, [19] zodat dit besluit in rechte vaststaat. Vervolgens heeft eiser op 19 december 2024 opnieuw een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag op 25 maart 2025 niet in behandeling genomen. Tegen dit besluit heeft eiser geen beroep ingesteld, zodat ook dit besluit in rechte vaststaat. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser, zoals hiervoor reeds is overwogen, niet alleen in Nederland, maar ook in andere lidstaten asielaanvragen heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid. Grond q is daarmee eveneens feitelijk juist. Gronden a en q kunnen de maatregel dragen. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Zicht op overdracht
16. Verder voert eiser aan dat geen zicht op overdracht bestaat. België kan niet zonder meer als een lidstaat worden aangemerkt waaraan overdracht kan plaatsvinden. Daarbij wijst hij op jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat overdracht van alleenstaande, niet-kwetsbare mannen aan België in strijd kan komen met artikel 4 van Pro het Handvest, [20] omdat zij daar in een situatie van verregaande materiële deprivatie kunnen terechtkomen. Daarnaast is onzeker of België het claimverzoek zal aanvaarden en op welke termijn een eventuele overdracht kan plaatsvinden.
17. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet op voorhand kan worden uitgegaan van een langdurig traject. Gelet op de Eurodac-treffer van België en de verklaringen van eiser bestaat nog steeds een concreet aanknopingspunt dat eiser aan België kan worden overgedragen. De vraag of eiser daadwerkelijk aan België kan worden overgedragen en eventuele bezwaren daartegen kunnen aan de orde worden gesteld in een eventuele procedure tegen een overdrachtsbesluit aan België. In de onderhavige procedure ligt uitsluitend de vraag voor of voldoende zicht op overdracht bestaat en dat is het geval. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
18. Met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
19. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
20. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
3.Verordening (EU) 2024/1351.
4.Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.
5.Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de AMB-Vo.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.
8.Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.
9.Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.
10.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
12.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
13.Dienst Terugkeer en Vertrek.
14.Proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht van 7 juli 2026, p. 1 van 7.
16.Verordening (EU) nr. 604/2013.
17.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
18.Aanmeldgehoor Dublin van 2 augustus 2022, p. 4.
20.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.