ECLI:NL:RBDHA:2026:19815

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
NL26.24863
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.J. Wilts
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 20 OpvangrichtlijnArt. 25 DublinverordeningArt. 29 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen overdracht niet-kwetsbare alleenstaande man aan België op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag heeft op 17 juli 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser beroep instelde tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister had de aanvraag afgewezen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De rechtbank oordeelt dat de minister het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en dat eiser onvoldoende medische onderbouwing heeft geleverd voor zijn klachten.

De rechtbank stelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België, ondanks eerdere jurisprudentie die twijfels uitte over de opvangcapaciteit. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat er voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen zoals eiser een (nood)opvangplaats beschikbaar is, mede door het bestaan van 2.000 humanitaire opvangplaatsen en een daling van de wachtlijst.

Eiser voerde aan dat overdracht onevenredig hard zou zijn vanwege zijn medische situatie en verwees naar arresten van het HvJEU, maar de rechtbank vindt dat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar België. De rechtbank wijst proceskosten toe aan de minister.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser moet worden overgedragen aan België.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24863

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Koro als tolk en de gemachtigde van de minister. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.3.
Op 9 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister gevraagd om de actuele situatie in de opvang in België nader toe te lichten. De minister en eiser hebben hierover vervolgens een nadere toelichting gegeven. Op 23 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek weer gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en de minister zijn aanvraag niet alsnog in behandeling hoeft te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staan in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om overname gedaan. België heeft hierop niet tijdig gereageerd. Dat staat gelijk aan het aanvaarden van het verzoek. [2]
Heeft de minister het besluit zorgvuldig voorbereid?
4. Eiser voert aan dat de minister het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. [3] De minister heeft eisers lichamelijke en psychische klachten onvoldoende onderzocht en eiser geen medische stukken laten overleggen. De minister heeft ook de familiebanden van eiser niet onderzocht. De minister heeft namelijk niet onderzocht waarom eiser niet in België kon functioneren en naar Nederland is gekomen, terwijl eiser familieleden in België had in zijn sociale netwerk.
4.1.
Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat hij lichamelijke en psychische klachten heeft. Eiser heeft zijn stellingen echter niet onderbouwd, bijvoorbeeld met medische stukken. Eiser heeft op de zitting aangevoerd dat hij zich in Nederland niet kon laten onderzoeken, maar dat standpunt heeft hij evenmin onderbouwd. Onder deze omstandigheden hoefde de minister ook geen onderzoek naar de klachten te doen. De minister hoefde eiser daarnaast niet meer gelegenheid te geven om medische stukken te overleggen dan de minister heeft gedaan. In de zienswijze heeft eiser de minister gevraagd om hem een aanvullende termijn van twee weken te geven om medische stukken te overleggen. Hoewel de minister dit verzoek niet uitdrukkelijk heeft toegekend, heeft de minister het besluit meer dan twee weken na de zienswijze genomen, zonder dat eiser in de tussentijd medische stukken heeft overgelegd. Ook in beroep heeft eiser geen medische stukken overgelegd.
4.2.
De minister hoefde ook niet nader te onderzoeken waarom eiser vanuit België naar Nederland is gekomen ondanks dat eiser in België familiebanden heeft. Dat het eiser naar eigen zeggen niet is gelukt om in België te functioneren ondanks de aanwezigheid van familieleden, staat immers niet in de weg aan overdracht van eiser aan België onder de criteria van de Dublinverordening.
4.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mag de minister voor België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser voert aan dat de minister voor België niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er bestaat ernstige twijfel over daadwerkelijke toegang tot de opvang. Er staan veel personen op de wachtlijst voor een plek in de opvang. De minister heeft niet gemotiveerd dat personen op de wachtlijst tijdens de wachttijd gebruik kunnen maken van noodopvang. Het is onzeker dat eiser gebruik kan maken van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen die beschikbaar zijn op grond van een samenwerkingsakkoord tussen Fedasil [4] en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Deze plaatsen zijn immers niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen en er wordt niet geregistreerd wie ervan gebruikmaken. Dat sommige personen geen gebruikmaken van deze opvang en bij iemand uit het persoonlijk netwerk verblijven, zegt niets over de situatie van eiser. Er zijn daarnaast ernstige twijfels over de effectiviteit van rechtsbescherming voor Dublinterugkeerders, vooral bij opvolgende asielaanvragers zoals eiser. Tot slot heeft de minister onvoldoende beoordeeld wat deze problemen voor eisers individuele situatie betekenen.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij voor België mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op 24 maart 2026 heeft de minister besloten om niet-kwetsbare alleenstaande mannen zoals eiser weer aan België over te dragen. [5] De minister heeft daarbij verwezen naar een brief van Fedasil van 5 februari 2026. Daaruit volgt dat personen die op de wachtlijst staan voor een reguliere opvangplaats gebruik kunnen maken van 2.000 humanitaire plaatsen in de noodopvang in het kader van een samenwerkingsakkoord tussen Fedasil en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Van deze 2.000 plaatsen zijn 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Fedasil financiert deze opvangplaatsen. Na heropening van het onderzoek heeft de minister toegelicht dat deze plaatsen in beginsel bedoeld zijn voor alleenstaande niet-kwetsbare mannen, maar niet exclusief aan hen zijn voorbehouden. De Belgische autoriteiten registreren niet wie gebruikmaakt van deze plaatsen, die vallen onder de verantwoordelijkheid van lokale NGO’s. [6] Het aantal personen op de wachtlijst is per 1 juni 2026 gedaald naar 1.043. Omdat het aantal personen op de wachtlijst aanzienlijk lager is dan het aantal beschikbare plaatsen van 2.000, is voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een opvangplaats beschikbaar. De structurele daling van het aantal personen op de wachtlijst bevestigt dat de Belgische autoriteiten adequaat handelen. Veel personen op de wachtlijst maken geen gebruik van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen en verblijven bij personen uit hun netwerk. In april 2026 verbleef ongeveer de helft van het aantal personen op de wachtlijst bij iemand uit het persoonlijke netwerk en de andere helft in een van de 2.000 opvangplaatsen. [7] Personen staan gemiddeld drie-en-een-halve maand op de wachtlijst. Bovendien mogen de Belgische autoriteiten het recht op opvang voor eiser beperken of hem dat ontzeggen, omdat eiser een opvolgende asielaanvrager is. [8] Omdat eiser verplicht is om België te verlaten na de afwijzing van zijn eerdere asielaanvraag, is hij ook niet buiten zijn eigen wil en keuzes om terechtgekomen in een situatie zoals bedoeld in het Jawo-arrest, aldus de minister.
5.2.
De rechtbank stelt voorop dat de minister in beginsel ten opzichte van andere EU-lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en het Unierecht zullen behandelen. Overdracht aan een andere lidstaat is niet mogelijk als ernstig moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in die lidstaat systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen. [9] De tekortkomingen moeten een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Dat is het geval als de levensomstandigheden een zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor de verzoeker in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. [10] Eiser moet dat aannemelijk maken. [11]
5.3.
Op 23 juli 2025 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister voor België niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. [12] De Afdeling heeft overwogen dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet direct een reguliere opvangplaats hebben. Er stonden op 18 november 2024 2.645 niet-kwetsbare alleenstaande mannen op de wachtlijst voor een opvangplaats. De minister heeft er in de zaak die heeft geleid tot deze Afdelingsuitspraak op gewezen dat Fedasil 2.000 plaatsen voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen heeft gefinancierd. De Afdeling heeft overwogen dat niet duidelijk was hoeveel van deze plaatsen daadwerkelijk beschikbaar waren voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, omdat deze plaatsen openstonden voor iedereen die dat nodig heeft. De Belgische autoriteiten hebben dus niet de benodigde nieuwe opvangplaatsen geopend, er is geen perspectief op de opening van nieuwe opvangplaatsen en het is onduidelijk in hoeverre niet-kwetsbare alleenstaande mannen gebruik kunnen maken van de nood- en daklozenopvang. Deze tekortkomingen zijn inmiddels structureel te noemen, aldus de Afdeling.
5.4.
De Afdeling oordeelde verder dat asielzoekers in België geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang en dat de Belgische autoriteiten onverschillig staan tegenover de tekortkomingen in de opvangvoorzieningen en het ontbreken van toegang tot een effectief rechtsmiddel.
5.5.
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser in België aanspraak kan maken op een (nood)opvangplaats. Op basis van de informatie die de minister in deze procedure heeft verstrekt, komt de rechtbank tot een ander oordeel dan de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. Eiser kan zo nodig aanspraak maken op een van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen. De minister heeft immers duidelijk gemaakt dat deze plaatsen in beginsel bestemd zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Vanuit die gedachte financiert Fedasil deze opvangplaatsen ook. Dat ook andere doelgroepen, zoals niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, voor wie 200 plaatsen gereserveerd zijn, gebruik kunnen maken van de opvangplaatsen en dat niet wordt geregistreerd wie ervan gebruikmaken, is onvoldoende voor een ander oordeel. Het verschil tussen het aantal personen op de wachtlijst en het aantal beschikbare plaatsen is immers groot. Het aantal personen op de wachtlijst is per 1 juni 2026 nog maar 1.043. Dat een deel hiervan geen gebruik zal maken van de opvang betekent bovendien dat er meer opvangplaatsen zullen zijn voor anderen, zoals eiser. Om die reden is de huidige situatie een wezenlijk andere dan die ten tijde van de Afdelingsuitspraak. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat er voor hem geen opvangplaats beschikbaar is.
5.6.
Omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat eiser in België toegang heeft tot opvang, is niet meer van belang of eiser recht heeft op effectieve rechtsbescherming tegen een gebrek aan opvang. De overige argumenten die partijen in het kader van deze beroepsgrond naar voren hebben gebracht, behoeven daarom geen bespreking meer. Dit betekent dat de minister voor België in de situatie van eiser mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Mocht de minister oordelen dat overdracht van eiser aan België niet onevenredig hard is en is toegestaan op grond van de arresten Tarakhel en C.K.?
6. Eiser voert aan dat overdracht aan België in dit geval onevenredig hard is. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn lichamelijke en psychische klachten zich verzetten tegen overdracht. Eiser voert ook aan dat hij bijzonder kwetsbaar is in de zin van het arrest Tarakhel en dat hij een bijzondere medische situatie heeft in de zin van het arrest C.K.
6.1.
De minister kan besluiten om het asielverzoek van eiser te behandelen, ook al is hij daartoe niet verplicht op grond van de criteria in de Dublinverordening. Dit volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister maakt niet snel gebruik van deze bevoegdheid. [13] Zoals hiervoor in 4.1 is overwogen, heeft eiser niet onderbouwd dat hij medische of psychische problemen heeft. Daarom hoefde de minister ook niet te oordelen dat overdracht van eiser onevenredig hard is. Ook het beroep van eiser op de arresten Tarakhel [14] en C.K. [15] gaat niet op. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is of een bijzonder slechte gezondheidstoestand heeft, terwijl dat wel op zijn weg ligt. [16] Deze beroepsgrond slaagt dus niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar België. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van
C. Holmond, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 25 en Pro artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening.
3.In de zin van artikel 3:2 van Pro de Awb.
4.Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers.
5.IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet kwetsbare mannen.
6.Niet-gouvernementele organisaties.
7.Zie pagina’s 32 en 33 van het beknopt verslag van de Commissie voor Binnenlandse
8.Op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, van de Opvangrichtlijn.
9.Artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en artikel 4 van Pro het EU Handvest.
10.HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punten 91-93 (Jawo).
11.ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455, r.o. 4.1-4.2.
12.ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.
13.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
14.EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
15.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
16.ABRvS 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223, r.o. 2.1.