ECLI:NL:RBDHA:2026:19429
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
De minister heeft op 14 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde en tevens schadevergoeding vorderde. De rechtbank had eerder al geoordeeld dat de maatregel tot 24 april 2026 rechtmatig was, en beoordeelt nu alleen de periode daarna.
Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak waarin is geoordeeld dat er in het algemeen wel zicht is op uitzetting naar Algerije. Er is geen bewijs dat de Algerijnse autoriteiten een laissez-passer weigeren, en het ontbreken van identificatiedocumenten van eiser maakt het proces tijdrovend maar niet onmogelijk.
Daarnaast rust op eiser de verplichting om actief mee te werken aan zijn uitzetting, wat hij niet doet door te weigeren in gesprek te gaan met de ambassade. De minister heeft meerdere rappels verzonden en vertrekgesprekken gevoerd, wat de rechtbank voldoende voortvarend acht. De rechtbank concludeert dat de voortduring van de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.