ECLI:NL:RBDHA:2026:19051
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming
Eiser diende op 13 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 23 maart 2026 af als kennelijk ongegrond en legde tevens een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag. Tijdens de procedure meldde de minister op 15 juni 2026 dat eiser op 27 mei 2026 met onbekende bestemming was vertrokken, omdat hij zelfstandig zijn woonruimte had verlaten. De gemachtigde van eiser gaf op 21 juni 2026 aan geen contact meer met eiser te hebben.
De rechtbank overwoog dat een vreemdeling die met onbekende bestemming vertrekt, maar wel contact onderhoudt met zijn gemachtigde, in beginsel belang heeft bij het beroep. Dit belang ontbreekt echter als er concrete aanwijzingen zijn dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Nu de gemachtigde geen contact meer had en er geen aanwijzingen waren voor het tegendeel, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang ontbrak.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en deed geen inhoudelijke beoordeling. Eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 24 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang na vertrek met onbekende bestemming en geen contact met gemachtigde.