ECLI:NL:RBDHA:2026:18694
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens gebrek aan geloofwaardigheid en reëel risico
Eiser, een Syrische nationaliteit, verzocht op 18 januari 2025 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees dit verzoek op 19 februari 2026 af wegens het ontbreken van geloofwaardige asielmotieven en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië.
Eiser voerde aan dat hij Syrië in 2014 verliet vanwege gevangenneming tijdens militaire dienst in 1988/1989, een conflict met een voormalig zakenpartner in 2013 en de militaire dienstplicht van zijn zoon. De rechtbank toetste het besluit volledig, mede gelet op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie EU.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het referentiekader van eiser heeft betrokken en dat het nader gehoor zorgvuldig was. De verklaringen over gevangenneming en het conflict met de zakenpartner werden niet geloofwaardig bevonden, mede omdat deze pas laat in de procedure werden aangevoerd en onvoldoende onderbouwd waren.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat er geen reëel risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer, mede gelet op de beëindiging van de dienstplicht in Syrië en de actuele situatie volgens ambtsberichten.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.