Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2026 in de zaak tussen
,en
Stichting Fauna4Life,(eiseres 2) uit Amstelveen, tezamen: eiseressen
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
Faunabeheereenheid Zuid-Hollanduit Den Haag
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Het opkomen voor door mensen gehouden dieren;
- Het opkomen voor in (relatieve) vrijheid levende dieren, de kwaliteit van hun bestaan en natuurlijke habitats’
- Het bevorderen van een plantaardige levensstijl;
- Het regelen van opvang en het verlenen van directe en indirecte hulp aan dieren’
“zeer wel mogelijk is dat in de (nabije) toekomst damherten van elders uit kunnen gaan wisselen met de damherten in de HW [Hoeksche Waard] gezien de snelle uitbreidingssnelheid van het benuttingsgebied in Nederland door damherten met circa 100 km2 per jaar. (...) Wel moeten er dan nog veel barrières worden genomen, zoals snelwegen, brede waterwegen, stedelijk gebied, etcetera”. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt waarom deze barrières in de (nabije) toekomst wel door damherten kunnen worden geslecht, maar dat het tegelijkertijd zeer onaannemelijk is, dat dit niet al is gebeurd. De rechtbank betrekt daarbij dat uit het beheeradvies blijkt dat uitgebreid genetisch onderzoek de enige manier is om de herkomst van de damherten in de Hoeksche Waard met zekerheid vast te stellen. Het college heeft zo’n onderzoek niet uitgevoerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college het standpunt dat de damhertenpopulatie in Hoeksche Waard uitsluitend uit verwilderde dieren bestaat onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank merkt daarbij op dat het verlenen van een ontheffing voor het doden van beschermde soorten dient te berusten op een zorgvuldig (ecologisch) onderzoek en een toereikende motivering.
“Mededeling van de Commissie - Richtsnoeren inzake de strikte bescherming van diersoorten van communautair belang uit hoofde van de habitatrichtlijn (2021/C6 496/01)”(hierna: de richtsnoeren) volgt dat belangrijke schade aan gewassen slechts schade is die het normale bedrijfsrisico te boven gaat en een agrariër onevenredig zwaar treft. Ook verwijzen eiseressen naar de uitspraak [6] van 24 februari 2022, waarin de rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat een bedrag van € 250,- per geval, per bedrijf, per jaar, niet strookt met de uitleg van dit begrip in het Gidsdocument bij de Vogelrichtlijn.