ECLI:NL:RBDHA:2026:18174

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.35175
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 106 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring en schadevergoeding afgewezen

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het voortduren van een maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2025 is opgelegd en op 15 juni 2026 is opgeheven. Eiser vordert tevens schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de bewaring.

De rechtbank stelt vast dat de maatregel tot 10 juni 2026 rechtmatig was, zoals eerder beoordeeld in een uitspraak van 16 juni 2026. De beoordeling richt zich daarom op de periode van 10 tot 15 juni 2026, waarin eiser stelt dat de voortzetting van de bewaring onrechtmatig was vanwege het ontbreken van concreet zicht op uitzetting, onvoldoende voortvarendheid van verweerder, het ontbreken van een individuele belangenafweging en het niet toepassen van een lichter middel.

De rechtbank oordeelt dat eiser geen gewijzigde omstandigheden heeft aangetoond die een ander oordeel rechtvaardigen dan in de eerdere uitspraak. Verweerder heeft toegelicht dat de opheffing van de bewaring op 15 juni 2026 het gevolg was van een verzwaarde belangenafweging die niet eerder hoefde plaats te vinden. De rechtbank ziet geen aanleiding om het voortduren van de bewaring onrechtmatig te achten en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.35175

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders).

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Verweerder heeft op 15 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft op 25 juni 2026 tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 1 juli 2026 desgevraagd een reactie op de beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 2 juli 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Uit de uitspraak van 16 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 10 juni 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 10 juni 2026.
4. Eiser voert aan dat de voortduring van de maatregel van bewaring van 10 tot 15 juni 2026 onrechtmatig is geweest. Er was geen concreet zicht op uitzetting sinds het negatieve resultaat van de Algerijnse autoriteiten en verweerder heeft onvoldoende voortvarend gehandeld. Verder heeft verweerder geen kenbare individuele belangenafweging gemaakt en is niet inzichtelijk waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van gewijzigde omstandigheden in de te beoordelen periode van 10 tot 15 juni 2026. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 16 juni 2026, nu er geen reden is voor een ander oordeel over het zicht op uitzetting, het voortvarend handelen, de belangenafweging en het lichter middel. Verweerder heeft toegelicht dat de reden van opheffing van de maatregel gelegen is in de verzwaarde belangenafweging die verweerder op 15 juni 2026 heeft gemaakt. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij niet gehouden was om deze verzwaarde belangenafweging op een eerder moment te maken. De rechtbank volgt dit, gelet op de duur van de maatregel van bewaring.
6. De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 3 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraken van 15 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:611), 23 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3572), 26 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6738), 4 mei 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:10522) en 16 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:16235).