ECLI:NL:RBDHA:2026:10522
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring zonder zicht op uitzetting
Eiser, een Algerijnse nationaliteithebbende, is op 30 december 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de rechtmatigheid van de bewaring reeds getoetst tot 26 maart 2026 en beoordeelt nu het voortduren vanaf die datum.
Eiser betoogde dat geen redelijke belangenafweging had plaatsgevonden, dat een lichter middel niet was overwogen, en dat er geen concreet zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank constateerde dat de Algerijnse autoriteiten op 18 april 2026 hadden aangegeven de nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen, maar dat dit niet uitsluit dat uitzetting alsnog mogelijk is. Verweerder voert nader onderzoek uit, waaronder een taalanalyse en analyse van belgegevens, en voert maandelijkse vertrekgesprekken.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende voortvarend handelt en dat het risico op onttrekking nog aanwezig is. Er zijn geen feiten die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.