Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Algerijnse vreemdeling, stelde beroep in tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2025 was opgelegd. Hij voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn persoonlijke en medische omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot 18 februari 2026 rechtmatig was en richtte zich op de periode daarna. Uit de voortgangsrapportage bleek dat verweerder op 19 februari en 12 maart 2026 schriftelijk had gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en op 25 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser had gevoerd. Dit werd als voldoende voortvarend handelen beoordeeld.
Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht was op uitzetting naar Algerije, ondanks het ontbreken van documenten van eiser en het feit dat de Algerijnse autoriteiten doorgaans geen laissez-passer aan gedocumenteerde personen verstrekken. Eiser had zelf geen inspanningen verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, mede gelet op eerdere uitspraken en de belangenafweging die regelmatig plaatsvond.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.