ECLI:NL:RBDHA:2026:6738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.15557
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, stelde beroep in tegen het voortduren van zijn maatregel van vreemdelingenbewaring die op 30 december 2025 was opgelegd. Hij voerde aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij de uitzetting, dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn, en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn persoonlijke en medische omstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel tot 18 februari 2026 rechtmatig was en richtte zich op de periode daarna. Uit de voortgangsrapportage bleek dat verweerder op 19 februari en 12 maart 2026 schriftelijk had gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en op 25 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser had gevoerd. Dit werd als voldoende voortvarend handelen beoordeeld.

Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk zicht was op uitzetting naar Algerije, ondanks het ontbreken van documenten van eiser en het feit dat de Algerijnse autoriteiten doorgaans geen laissez-passer aan gedocumenteerde personen verstrekken. Eiser had zelf geen inspanningen verricht om zijn terugkeer te bespoedigen. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen, mede gelet op eerdere uitspraken en de belangenafweging die regelmatig plaatsvond.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15557

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 26 maart 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1992 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. [2] Uit de uitspraak van 23 februari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 18 februari 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 18 februari 2026.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet voortvarend handelt. De door verweerder verrichte handelingen zijn geen effectieve en betekenisvolle uitzettingshandelingen, nu er na drie maanden nog geen inhoudelijke reactie op de lp-aanvraag [3] is ontvangen en ook geen sprake is van een vluchtaanvraag. Daarnaast is geen sprake van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Eiser heeft geen documentatie en de Algerijnse autoriteiten verstrekken in het algemeen geen lp’s aan gedocumenteerde personen. Verder heeft verweerder ten onrechte geen lichter middel toegepast vanwege de persoonlijke en medische omstandigheden van eiser. Daarbij merkt eiser op dat de belangenafweging in de voortgangsrapportage niet concreet en individueel is ingevuld.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding om het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig te achten. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 19 februari 2026 en 12 maart 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten en dat op 25 februari 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Hiermee werkt verweerder voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen had moeten verrichten.
6. Daarnaast ontbreekt het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet en is ook in eisers geval niet gebleken dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. Dat eiser ongedocumenteerd is betekent niet dat er voor hem geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije bestaat. De Algerijnse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat geen lp voor eiser zal worden afgegeven. Van belang is verder dat eiser zelf tot op heden geen inspanningen heeft verricht om afgifte van een lp en daarmee zijn terugkeer te bespoedigen, terwijl dat wel van hem verlangd mag worden. Hij heeft geen documenten over zijn identiteit of nationaliteit verstrekt en heeft in de vertrekgesprekken te kennen gegeven niet terug te willen keren naar Algerije. Dat de lp-aanvraag daardoor langer kan duren, komt voor rekening van eiser.
7. Verweerder heeft verder geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel toe te passen. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden en de omstandigheden in het detentiecentrum verwijst de rechtbank naar haar uitspraken van 15 januari 2026 en 23 februari 2026. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor een ander oordeel. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Uit het dossier volgt dat de belangen van eiser regelmatig worden afgewogen. Zo wordt na elk vertrekgesprek beoordeeld of eiser omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de bewaringsmaatregel niet langer zou kunnen voortduren. Dat deze belangenafweging niet in de M120 staat, maakt dit niet anders.
8. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 26 maart 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Uitspraken van 15 januari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:611) en 23 februari 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:3572).
3.Aanvraag voor een laissez-passer.