ECLI:NL:RBDHA:2026:17987
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De minister van Asiel en Migratie legde op 11 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 19 mei 2026 rechtmatig was.
De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de periode na 19 mei 2026 en concludeerde dat de gronden voor het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig waren. Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, dat er geen zicht op uitzetting was, en dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de asielaanvraag. Deze gronden werden verworpen op basis van eerdere rechtspraak en de feitelijke voortgang van de procedure.
Voorts stelde eiser dat hij al ruim 18 maanden aaneengesloten in bewaring zat, maar de rechtbank stelde vast dat de bewaringen niet aaneengesloten waren en dat de huidige maatregel pas op 11 mei 2026 was opgelegd. Ook het beroep op het arrest Aroja faalde omdat dit niet van toepassing is op de maatregel op grond van artikel 59b Vw 2000.
De rechtbank concludeerde dat geen onrechtmatigheid was vastgesteld en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.