Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10675

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL26.19810
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 94 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Art. 15 lid 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 aan eiser op. De rechtbank had deze maatregel eerder getoetst en verklaarde deze tot 27 januari 2026 rechtmatig. De minister verzocht vervolgens om beoordeling van het voortduren van de bewaring, welke de rechtbank als een nieuw beroep aanmerkte.

De rechtbank beperkte haar beoordeling aan de periode na 27 januari 2026 en onderzocht of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was. Eiser stelde dat de minister op 2 april 2026 een kenbare belangenafweging had moeten maken vanwege de zes maanden durende bewaring, zoals voorgeschreven in de Vreemdelingencirculaire 2000. De rechtbank oordeelde dat deze verplichting alleen geldt voor bewaring op grond van artikel 59, niet voor artikel 59b, en verwierp dit verweer.

Eiser voerde verder aan dat het arrest Aroja vereist dat perioden van bewaring op grond van artikel 59b meetellen bij de maximale bewaringsduur volgens de Terugkeerrichtlijn, en dat de minister daarom een verlengingsbesluit had moeten nemen. De rechtbank stelde dat het arrest Aroja niet van toepassing is op bewaring op grond van artikel 59b en dat de minister geen verlengingsbesluit hoefde te nemen.

Ten slotte stelde eiser dat de minister onvoldoende voortvarend had gehandeld door geen vertrekgesprekken te voeren. De rechtbank oordeelde dat bij bewaring op grond van artikel 59b geen uitzettingshandelingen vereist zijn omdat er sprake is van rechtmatig verblijf en dat de minister de asielaanvraag voortvarend behandelde. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19810

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 mei 2026

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Schoneveld),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

De minister heeft op 13 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 30 januari 2026. [1]
De minister heeft de rechtbank op 8 april 2026 laten weten dat het langer dan 75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de kennisgeving).
De rechtbank merkt de kennisgeving aan als een beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 volgt dat de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De minister heeft op 16 april 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Op 23 april 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor behandeling doorverwezen naar een meervoudige kamer.
De meervoudige kamer heeft het beroep samen met de zaak NL26.19156 op 28 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister zijn daar vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

Kader bij een vervolgberoep
1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 27 januari 2026.
In beroep
3. De rechtbank stelt bij de bespreking van de beroepsgronden het volgende voorop.
Eiser heeft eerder in bewaring gezeten. Het gaat om de volgende perioden:
- van 2 oktober 2025 tot 6 oktober 2025, op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw 2000, en
- 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026, op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
Vervolgens is eiser de voorliggende maatregel van 13 januari 2026 opgelegd. Deze is op 16 april 2026 opgeheven en met ingang van die datum is een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 opgelegd. Voor de duidelijkheid: deze laatste maatregel ligt niet voor.
Had de minister een kenbare belangenafweging moeten maken?
4. Eiser voert allereerst aan dat de minister op 2 april 2026 een kenbare belangenafweging had moeten maken omdat eiser op dat moment zes maanden ononderbroken in bewaring zat. Dat volgt uit paragraaf A5/6.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), aldus eiser. De minister heeft deze belangenafweging niet verricht. Dat maakt de bewaring onrechtmatig.
5. In paragraaf A5/6.8 van de Vc 2000 staat het volgende.
De bewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of Pro 59 Vw niet langer dan zes maanden, met een mogelijkheid deze te verlengen met twaalf maanden. De DTenV ziet toe op naleving van deze termijnen en past daarbij artikel 88 van Pro het WvSr analoog toe. Een maand geldt daarbij als 30 dagen. Bij een verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 59, zesde lid, Vw wordt de periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw buiten beschouwing gelaten. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw telt niet mee, omdat deze inbewaringstelling niet uitzetting als doel heeft. De periode van inbewaringstelling op grond van artikel 59a of artikel 59b Vw wordt wel betrokken bij de kenbare belangenafweging, die door DTenV in het model M120 gemaakt wordt na zes maanden inbewaringstelling. (...)
6. De rechtbank leest en begrijpt dit beleid zo, dat de minister enkel een kenbare belangenafweging moet maken op het moment dat sprake is van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vw 2000. Daarvoor is ten eerste van belang dat uit de eerste zin van deze paragraaf blijkt dat deze betrekking heeft op bewaring of vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 of Pro 59 van de Vw 2000, waarbij artikel 59b niet wordt genoemd. Er bestaat ook geen grond om bij bewaring op grond van artikel 59a of 59b van de Vw 2000 na zes maanden een kenbare belangenafweging te verrichten aangezien die grondslagen andere, kortere, termijnen kennen. De beroepsgrond slaagt niet.
6.1.
Voor zover eiser wijst op het arrest Aroja [2] en betoogt dat hieruit volgt dat perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 wel moeten meetellen, verandert dit het oordeel niet. Het arrest Aroja gaat namelijk niet over de kenbare belangenafweging uit de Vc 2000, maar over het verlengingsbesluit als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dat vindt in het nationale recht grondslag in artikel 59, zesde lid, van de Vw 2000. Hierover zal de rechtbank hieronder een oordeel geven.
Had de minister een verlengingsbesluit moeten nemen?
7. Eiser betoogt hij in totaal langer dan zes maanden op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit in bewaring heeft gezeten. Uit het arrest Aroja volgt dat de minister in dat geval een verlengingsbesluit moet nemen als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Bij het bepalen van deze, maximale, bewaringsduur tellen de perioden waarin aan eiser bewaringsmaatregelen waren opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 mee. Volgens eiser volgt dat uit punt 58 van het arrest. Omdat de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen is de bewaring onrechtmatig.
8. De minister doet ook een beroep op het arrest Aroja maar hij heeft een andere lezing daarvan. De minister stelt dat uit dit arrest niet volgt dat de perioden van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 meetellen bij het bepalen van de maximale bewaringsduur van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.
9. De rechtbank stelt voorop dat de maatregel van bewaring, die is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000, een aparte grondslag biedt voor inbewaringstelling van vreemdelingen die een asielverzoek hebben ingediend. Dit is een implementatie van artikel 8 van Pro de Opvangrichtlijn. Eiser heeft ook in bewaring gezeten op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000. Dat is de grondslag voor inbewaringstelling van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Dit is een implementatie van artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
10. In het arrest Aroja beantwoordt het Hof prejudiciële vragen van de Finse rechter. De Finse rechter vraagt zich af welke perioden van bewaring bij elkaar op moeten worden geteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Dit roept allereerst de vraag op of dit arrest wel relevant is op het moment dat een vreemdeling niet op grond van de Terugkeerrichtlijn in bewaring is gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval.
10.1.
Het Hof verklaart in het arrest Aroja namelijk onder meer voor recht dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. [3] Hierover overweegt het Hof in punt 58 het volgende:
In dit verband heeft het Hof onder meer geoordeeld dat bij de berekening van de krachtens
artikel 15, leden 5 en 6, van deze richtlijnvastgestelde duur van de bewaring met het oog op verwijdering de periode moet worden meegeteld waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land, wanneer de betrokkene gedurende de procedure waarin dat verzoek werd behandeld,
krachtens die bepalingenin bewaring werd gehouden, zelfs indien dat ten onrechte gebeurde (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 40, 47 en 48). (vetgedrukt rechtbank)
Het arrest ziet dus expliciet op de toepassing van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, welke richtlijn bij de het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 niet aan de orde is.
Er is ook geen reden om de overwegingen van het arrest van overeenkomstige toepassing te achten. Anders dan de Terugkeerrichtlijn bevat de Opvangrichtlijn namelijk geen maximale termijn voor de bewaring, anders dan de bepaling dat een vreemdeling slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, derde lid, van die richtlijn genoemde redenen van toepassing zijn. [4] In de preambule 16 bij de Opvangrichtlijn is nog opgenomen dat de bewaring niet langer mag duren dan redelijkerwijs nodig is om de betrokken procedures te voltooien. Het eventueel optellen van eerdere periodes van bewaring is bij toepassing van deze richtlijn dus niet aan de orde. De rechtbank vindt ook steun voor haar oordeel in het arrest Kadzoev, waar het Hof ook naar verwijst. In punt 45 van dat arrest stelt het Hof namelijk vast dat de bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn en de bewaring van een asielzoeker op grond van de Opvangrichtlijn onder afzonderlijke rechtsregelingen vallen.
11. Omdat maatregel die voorligt is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 vindt het arrest Aroja dus geen toepassing. De minister heeft in eisers geval dan ook geen verlengingsbesluit hoeven nemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had de minister uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de bewaring?
12. Eiser voert tot slot aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld gedurende de periode van bewaring. Volgens eiser had de minister vertrekgesprekken moeten en kunnen voeren. Dat heeft hij niet gedaan en dat is onterecht.
13. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het geval van een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, niet gehouden is om voortvarend handelingen te verrichten die gericht zijn op uitzetting. Er is immers sprake van rechtmatig verblijf en uitzetting is op dit moment niet aan de orde. [5] De minister heeft in de voorliggende periode van bewaring gewerkt aan de behandeling van eisers asielaanvraag. Onbetwist is dat de minister die aanvraag voortvarend heeft behandeld. Niet valt in te zien welk doel zou worden gediend als de minister in die periode (ook) vertrekgesprekken met eiser zou voeren. Bovendien heeft de minister op de zitting van 28 april 2026 onweersproken gesteld dat alle noodzakelijk uitzettingshandelingen al waren verricht in de periode van 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026, toen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 werd opgeheven, omdat eiser (opnieuw) een asielverzoek had ingediend. Eisers enkele stelling dat de minister toch vertrekhandelingen had moeten verrichten slaagt daarom niet.
Ambtshalve toets
14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, voorzitter, en J.M.C. Schuurman-Kleijberg en mr. G.A. van der Straaten, leden, in aanwezigheid van mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 30 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1628.
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (HvJEU), ECLI:EU:C:2026:148.
3.Zie onder meer punt 58 van het arrest.
4.Zie artikel 9, eerste lid van de Opvangrichtlijn.
5.De rechtbank wijst hierbij op de uitspraak van de ABRvS van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4011.