10.1.Het Hof verklaart in het arrest Aroja namelijk onder meer voor recht dat alle perioden van bewaring, waarin een vreemdeling heeft gezeten ter uitvoering van één en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld bij het bepalen van de maximale bewaringsduur als bedoeld in artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.Hierover overweegt het Hof in punt 58 het volgende:
In dit verband heeft het Hof onder meer geoordeeld dat bij de berekening van de krachtens
artikel 15, leden 5 en 6, van deze richtlijnvastgestelde duur van de bewaring met het oog op verwijdering de periode moet worden meegeteld waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit was geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land, wanneer de betrokkene gedurende de procedure waarin dat verzoek werd behandeld,
krachtens die bepalingenin bewaring werd gehouden, zelfs indien dat ten onrechte gebeurde (zie in die zin arrest van 30 november 2009, Kadzoev, C357/09 PPU, EU:C:2009:741, punten 40, 47 en 48). (vetgedrukt rechtbank)
Het arrest ziet dus expliciet op de toepassing van artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn, welke richtlijn bij de het opleggen van een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 niet aan de orde is.
Er is ook geen reden om de overwegingen van het arrest van overeenkomstige toepassing te achten. Anders dan de Terugkeerrichtlijn bevat de Opvangrichtlijn namelijk geen maximale termijn voor de bewaring, anders dan de bepaling dat een vreemdeling slechts in bewaring wordt gehouden voor een zo kort mogelijke termijn en slechts zo lang de in artikel 8, derde lid, van die richtlijn genoemde redenen van toepassing zijn.In de preambule 16 bij de Opvangrichtlijn is nog opgenomen dat de bewaring niet langer mag duren dan redelijkerwijs nodig is om de betrokken procedures te voltooien. Het eventueel optellen van eerdere periodes van bewaring is bij toepassing van deze richtlijn dus niet aan de orde. De rechtbank vindt ook steun voor haar oordeel in het arrest Kadzoev, waar het Hof ook naar verwijst. In punt 45 van dat arrest stelt het Hof namelijk vast dat de bewaring op grond van de Terugkeerrichtlijn en de bewaring van een asielzoeker op grond van de Opvangrichtlijn onder afzonderlijke rechtsregelingen vallen.
11. Omdat maatregel die voorligt is opgelegd op grond van artikel 59b van de Vw 2000 vindt het arrest Aroja dus geen toepassing. De minister heeft in eisers geval dan ook geen verlengingsbesluit hoeven nemen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had de minister uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de bewaring?
12. Eiser voert tot slot aan dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld gedurende de periode van bewaring. Volgens eiser had de minister vertrekgesprekken moeten en kunnen voeren. Dat heeft hij niet gedaan en dat is onterecht.
13. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het geval van een bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, niet gehouden is om voortvarend handelingen te verrichten die gericht zijn op uitzetting. Er is immers sprake van rechtmatig verblijf en uitzetting is op dit moment niet aan de orde.De minister heeft in de voorliggende periode van bewaring gewerkt aan de behandeling van eisers asielaanvraag. Onbetwist is dat de minister die aanvraag voortvarend heeft behandeld. Niet valt in te zien welk doel zou worden gediend als de minister in die periode (ook) vertrekgesprekken met eiser zou voeren. Bovendien heeft de minister op de zitting van 28 april 2026 onweersproken gesteld dat alle noodzakelijk uitzettingshandelingen al waren verricht in de periode van 6 oktober 2025 tot 13 januari 2026, toen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 werd opgeheven, omdat eiser (opnieuw) een asielverzoek had ingediend. Eisers enkele stelling dat de minister toch vertrekhandelingen had moeten verrichten slaagt daarom niet.
14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.