ECLI:NL:RBDHA:2026:17725

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32987
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b VbArt. 5.1c VbArt. 106 VwArt. 8 Opvangrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende gemotiveerde grondslag na afwijzing asielaanvraag

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was bedoeld om gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van de asielaanvraag.

Eiser stelde dat na de beslissing op zijn asielaanvraag op 21 juni 2026 de grondslag voor bewaring niet langer kon worden gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, en dat de grondslag onder c onvoldoende was gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat de zware en lichte gronden voor de bewaring onbetwist waren, maar dat de wettelijke grondslag onder b niet meer van toepassing was na afwijzing van de asielaanvraag.

Daarnaast concludeerde de rechtbank dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat eiser zijn asielaanvraag louter had ingediend om uitvoering van het terugkeerbesluit te verijdelen, waardoor de c-grondslag niet standhield. De bewaring was daarom vanaf 22 juni 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt opheffing van de bewaring per 30 juni 2026 en kent een schadevergoeding van €1.080 toe voor de onrechtmatige vrijheidsontneming van 9 dagen. Tevens worden proceskosten van €1.868 toegewezen aan eiser.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig vanaf 22 juni 2026, opgeheven per 30 juni 2026, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32987

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Fawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft verweerder in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
2. Eiser heeft aangevoerd dat er sinds de beslissing op zijn asielaanvraag op 21 juni 2026 geen grondslag meer is voor de maatregel van bewaring. Volgens eiser had verweerder de grondslag vanaf dat moment moeten wijzigen naar artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, of moeten verlengen op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw. Daarnaast betoogt eiser dat verweerder de grondslag voor artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw niet heeft gemotiveerd en dat deze dan ook niet ten grondslag kon worden gelegd aan de maatregel van bewaring.
3. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld de b-grondslag wel aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd, omdat de termijn waarbinnen een rechtsmiddel kon worden aangewend tegen het besluit van 21 juni 2026 nog doorloopt. Op het moment dat deze ongebruikt is verstreken, kan de maatregel worden omgezet. Ten aanzien van de c-grondslag stelt verweerder zich op het standpunt dat het niet relevant is of deze voldoende is gemotiveerd, omdat de b-grondslag gehandhaafd kan worden.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde zware en lichte gronden en de daarop gegeven toelichtingen niet heeft betwist. De onbestreden zware gronden 3a, 3b en 3c en de onbestreden lichte gronden 4a en 4d, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank verweerders standpunt dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dragen. Daarmee is ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft overwogen in de uitspraak van 4 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:230, volgt uit de bewoordingen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, "om gegevens te verkrijgen die ten grondslag liggen aan het verzoek […]" dat deze grondslag uitsluitend is bedoeld voor de duur van de behandeling van het asielverzoek, tot aan de beslissing daarop door verweerder. Deze uitleg vindt ook steun in de omzetting door de wetgever van deze bepaling in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Uit de bewoordingen "[…] gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag […]" blijkt immers nog duidelijker dat artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Opvangrichtlijn, dat is omgezet in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, niet geschikt is als grondslag voor vrijheidsontneming na afwijzing van het asielverzoek door verweerder. Hieruit volgt dat eiser terecht stelt dat de wettelijke grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, vanaf het moment dat zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard door verweerder niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd.
5. Ten aanzien van de c-grondslag overweegt de rechtbank het volgende. Uit artikel 5.1c, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat bij de beoordeling of sprake is van een aanvraag die louter is ingediend teneinde de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen als bedoeld artikel 59b, eerste lid, onderdeel c, ten derde, van de Vw alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder met name:
of de vreemdeling eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan;
de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kenbaar heeft gemaakt in het licht van zijn verklaringen hieromtrent;
de omstandigheden waaronder de vreemdeling is aangetroffen dan wel zijn aanvraag kenbaar heeft gemaakt;
of de vreemdeling in het Schengeninformatiesysteem ter zake van een inreisverbod gesignaleerd staat;
de gestelde nationaliteit in het licht van de toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b van de Wet,
de onderbouwing van de aanvraag.
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 1 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2829, volgt dat het enkel noemen van de omstandigheden waaruit blijkt dat een vreemdeling de asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen, onvoldoende is om een vreemdeling op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw in bewaring te stellen. Het enkel noemen van deze omstandigheden maakt dus niet dat de wettelijke grondslag van de maatregel van bewaring voldoende is gemotiveerd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1309, volgt immers dat in de maatregel van bewaring de feitelijke en juridische gronden waarop de maatregel van bewaring is gebaseerd, in de maatregel moeten worden vermeld.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, niet deugdelijk gemotiveerd dat eiser zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Verweerder heeft de omstandigheden enkel aangekruist, maar heeft in zijn geheel nagelaten om een feitelijke toelichting te geven en toe te lichten hoe hieruit zou moeten volgen dat eiser zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
8. Nu de c-grondslag in de maatregel van bewaring onvoldoende is gemotiveerd en de b-grondslag vanaf de beslissing op de asielaanvraag niet langer aan de maatregel van bewaring ten grondslag kon worden gelegd, is de bewaring met ingang van 22 juni 2026, één dag na die beslissing, onrechtmatig geworden.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is met ingang van 22 juni 2026 onrechtmatig.
10. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 30 juni 2026.
11. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,-.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 30 juni 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.