ECLI:NL:RBDHA:2026:17724

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16704
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbVerordening (EU) nr. 604/2013Art. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 12, tweede lid, Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Bulgarije

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank beoordeelt het beroep zonder zitting en stelt vast dat Nederland een verzoek tot terugname van de asielaanvraag bij Bulgarije heeft ingediend, dat door Bulgarije is aanvaard. Eiser voert aan dat zijn zienswijze onvoldoende is meegewogen, dat Bulgarije ten onrechte als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel onterecht wordt gehanteerd.

De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft gereageerd op de zienswijze van eiser en dat er een geldig claimakkoord met Bulgarije is gesloten. Eiser heeft geen concrete omstandigheden aangevoerd die het vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije zouden ondermijnen.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16704

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.T. Gerbrandy),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geregistreerd onder het zaaknummer NL26.16705. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [2] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [3] In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om terugname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening aanvaard.

Beroepsgronden

5. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. De inhoud van zijn zienswijze is onvoldoende meegenomen in de besluitvorming en Bulgarije is ten onrechte als verantwoordelijke lidstaat aangewezen. Verder houdt de minister ten aanzien van Bulgarije ten onrechte vast aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst ter onderbouwing op uitspraken [4] van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam en zittingsplaats Haarlem en op daarin genoemde rapporten van internationale organisaties. Gezien eisers zienswijze houdt de minister onvoldoende gemotiveerd vast aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel waarbij niet kan worden volstaan met een verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd is ingegaan op eisers zienswijze. In de beschikking zijn eisers grieven expliciet benoemd en heeft de minister ook toegelicht waarom die niet leiden tot een andere uitkomst dan in het voornemen. De rechtbank stelt verder vast dat er een expliciet claimakkoord met Bulgarije tot stand is gekomen op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser heeft niets aangevoerd waarom er zou moeten worden getwijfeld aan de verantwoordelijkheid van Bulgarije of de correcte totstandkoming van het claimakkoord.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Bulgarije in zijn geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam waar eiser op wijst is in hoger beroep door de Afdeling vernietigd [5] zodat daaraan niet de waarde kan worden toegekend die eiser wenst. In de uitspraak van zittingsplaats Haarlem is het beroep (onder meer) gegrond verklaard omdat de Afdeling zich nog niet over de update 2024 van het AIDA-rapport had uitgelaten en omdat de desbetreffende eiseres en haar dochter ervaringen hadden opgedaan in de opvang in Bulgarije. Die omstandigheden gelden niet voor eiser. Verder blijkt uit uitspraken [6] van de Afdeling dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije. De Afdeling heeft in deze uitspraken het AIDA-rapport Update 2024 ook meegewogen. Eiser heeft daarnaast geen concrete, individuele omstandigheden aangevoerd die maken dat de minister in zijn geval niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Bulgarije mag uitgaan of gehouden was de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
J.H. Folkers, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.