ECLI:NL:RBDHA:2026:1764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
24/7652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4:6 AwbArt. 5:1 AwbArt. 7:11 AwbArt. 7:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing handhavingsverzoek bouwactiviteiten uitbouw en schuur

Eisers hebben het college verzocht handhavend op te treden tegen vermeende overtredingen op zes punten betreffende bouwactiviteiten op het perceel van belanghebbenden, waaronder een uitbouw, schuur, erfafscheiding, plantenbak, fietsenstalling en schanskorf bij een vijver. Het college wees het handhavingsverzoek op alle punten af, waarbij onder meer werd gesteld dat sommige verzoeken herhaald waren en dat bepaalde bouwwerken vergunningvrij waren.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit op onderdelen onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, met name ten aanzien van de vraag of wijzigingen aan de uitbouw een wijziging van de draagconstructie vormen en of daarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Het college heeft onvoldoende onderbouwd waarom wijzigingen aan de gevel geen wijziging van de draagconstructie zouden zijn, terwijl ook het ophogen van de fundering als wijziging van de draagconstructie moet worden beschouwd.

Verder is geoordeeld dat het college terecht het handhavingsverzoek ten aanzien van de schuur, erfafscheiding en fietsenstalling als herhaald heeft afgewezen. De rechtbank wijst de bezwaren tegen de beoordeling van de plantenbak en schanskorf af, omdat deze bouwwerken vergunningvrij zijn binnen de geldende bestemmingen en dubbelbestemmingen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij nader onderzoek moet worden verricht naar de draagconstructie en de vergunningplicht van de bouwactiviteiten. Het college moet het griffierecht aan eisers vergoeden en een beperkte proceskostenvergoeding toekennen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het college wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met nader onderzoek naar de draagconstructie en vergunningplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Hillegom

(gemachtigde: mr. T.E.M. Burghardt).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats] , belanghebbenden
(gemachtigde: [gemachtigde] )

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een door eisers ingediend handhavingsverzoek. Volgens eisers hebben er op het perceel van belanghebbenden meerdere overtredingen plaatsgevonden. Het college heeft het handhavingsverzoek op alle punten afgewezen. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het verzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit op onderdelen onzorgvuldig is voorbereid en niet toereikend is gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 22 februari 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eisers afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 augustus 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Belanghebbenden hebben ook schriftelijk gereageerd. Eisers en belanghebbenden hebben aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van het college, belanghebbende [derde-partij 1] en zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Belanghebbenden wonen aan de [adres 1] . Eisers wonen op een perceel achter belanghebbenden aan de [adres 2] . Volgens eisers hebben er op het perceel van belanghebbenden meerdere overtredingen plaatsgevonden. Eiseres hebben daarom het college bij brief van 23 juli 2023 verzocht om handhavend op te treden wegens overtredingen op een zestal punten:
- 1. Uitbouw: wijzigen detaillering zijgevel, bouwen over bouwperceelgrens, sloop, wijziging draagconstructie, bouwen.
- 2. Schuur/overkapping en de daarbij behorende fundering; overschrijding van bestemmingsgrens. Bouwwerken mogen niet gebouwd worden in tuin met dubbel bestemming "waarde archeologie”
- 3. Erfafscheiding; bouwwerken mogen niet gebouwd worden in tuin met dubbel bestemming "waarde archeologie".
- 4. Plantenbak; bouwwerken mogen niet gebouwd worden in tuin met dubbel bestemming "waarde archeologie".
- 5. Fietsenstalling; gebouwen mogen niet gebouwd worden in tuin met dubbel bestemming "waarde archeologie".
- 6. Schanskorf van de vijver; overschrijding van bestemmingsgrens. Bouwwerken mogen niet gebouwd worden in tuin met dubbel bestemming "waarde archeologie".
3.1.
Het college heeft het handhavingsverzoek op alle zes de punten afgewezen. Voor wat betreft de punten twee, drie en vijf gaat het volgens het college om een herhaald verzoek, waarbij geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden naar voren zijn gebracht. Het college heeft deze onderdelen van het handhavingsverzoek daarom afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.2.
Voor wat betreft het vierde onderdeel van het handhavingsverzoek heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de plantenbak tuininrichting is en niet kan worden aangemerkt als een bouwwerk. De stenen die het vierkant vormen maken onderdeel uit van de bestrating met daarin aarde ten behoeve van het zaaien van planten. Er is geen sprake van een constructie van enige omvang.
3.3.
Het zesde onderdeel van het handhavingsverzoek heeft het college afgewezen omdat de schanskorf onderdeel is van de vijver en op grond van artikel 3, vijfde lid,
bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vergunningsvrij is. Ook hier geldt volgens het college dat het bestemmingsplan “ [adres 1] ” de vergunningvrije mogelijkheden uit het Bor niet heeft beperkt. De vijver en dus ook de schanskorf past zowel binnen de bestemming “Wonen” als “Tuin”, aldus het college.
3.4.
Het college heeft het handhavingsverzoek tot slot ook ten aanzien van de uitbouw afgewezen. Wijzigingen aan de gevel zijn volgens het college vergunningsvrij op basis van het oude toetsingskader (bijlage II van het Bor). Voor de wijziging van de draagconstructie was er ten tijde van het primaire besluit op grond van artikel 3, onderdeel 8, van bijlage II van het Bor wel een omgevingsvergunning nodig en was er dus sprake van een overtreding. Voor het onderzoeken van een concreet zicht op legalisatie wordt het toetsingskader gevormd door de nieuwe regelgeving. Nu er op basis van de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) geen omgevingsvergunning nodig is, bestond er volgens het college ook ten aanzien van de uitbouw geen aanleiding om tot handhaving over te gaan.
Toetsingskader
4. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van de afwijzing van het handhavingsverzoek. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het college alleen handhavend kan en mag treden als er sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Awb.
4.1.
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
4.2.
Het handhavingsverzoek is ingediend op 23 juli 2023. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de werking van het overgangsrecht beperkter is als een gedraging onder oud recht wel een overtreding opleverde, maar niet of gedeeltelijk niet meer onder toepassing van het recht zoals dat geldt op het moment dat het besluit wordt genomen. Het bestuursorgaan kan de betrokkene vanwege de overtreding onder het oude recht dan niet langer gelasten de bewuste gedraging te beëindigen. [1]
4.3.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Uitbouw of ‘het lage gedeelte van de woning’?
5. Eisers stellen dat het college het in geding zijnde bouwwerk aanvankelijk steeds heeft omschreven als aanbouw of uitbouw. Vervolgens is het college ongemotiveerd overgegaan tot de kwalificatie ‘het lage gedeelte behorende bij de woning’. Volgens eisers wijkt deze terminologie af van de gebruikelijke aanduidingen zoals ‘hoofdgebouw’ en ‘bijbehorend bouwwerk’ en lijkt deze te zijn gekozen om juridische voordelen te verkrijgen die niet overeenkomen met de feitelijke situatie. Volgens eisers moet het bouwwerk worden aangeduid als bijbehorend bouwwerk.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat eisers niet concreet hebben gemaakt waarom het voor de beoordeling van het handhavingsverzoek, dat betrekking heeft op al dan niet vergunningplichtige wijzigingen van de draagconstructie van het bouwwerk, relevant is of het bouwwerk onderdeel is van het oorspronkelijke hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk. In de navolgende overwegingen wordt het bouwwerk aangeduid als ‘uitbouw’, zonder het daarmee juridisch te duiden als een bijbehorend bouwwerk of als onderdeel van het oorspronkelijke hoofdgebouw.
Is sprake van vergunningplichtige constructieve wijzigingen aan de uitbouw?
6. Eisers kunnen zich om meerdere redenen niet verenigen met de afwijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van de uitbouw. Zo betogen eisers ten eerste dat niet alleen het wijzigen van de dakconstructie, maar ook het wijzigen van de gevel een wijziging van de draagconstructie is. Eisers stellen verder dat de draagconstructie is gewijzigd door het slopen van dragende muren en door het ophogen van de fundering.
6.1.
Op grond van de stukken en het verhandelde op zitting is de rechtbank van oordeel dat het college zijn standpunt dat wijzigingen aan de gevel geen wijziging van de draagconstructie inhouden, onvoldoende heeft onderbouwd. Mede gelet op het plaatsen van stempels tijdens werkzaamheden aan de gevel kan niet worden uitgesloten dat sprake is geweest van wijzigingen aan dragende gevels. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit de stukken moet worden afgeleid dat de gevel in ieder geval gedeeltelijk steunt op een fundering. Verder volgt de rechtbank het college niet in het standpunt dat er met betrekking tot de fundering geen sprake is van wijziging van de draagconstructie, omdat die alleen is opgehoogd. Door de fundering op te hogen is deze gewijzigd en daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van de draagconstructie van het bouwwerk. Het bestreden besluit is in zoverre niet zorgvuldig voorbereid en niet toereikend gemotiveerd.
6.2.
In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voor een wijziging van de draagconstructie van de uitbouw gelet op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het Bbl geen omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit is vereist.
6.3.
Voor de vraag of een omgevingsvergunning is vereist voor een wijziging van de draagconstructie van de uitbouw is artikel 2.26 van het Bbl bepalend. Dit artikel voorzag ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in een vergunningplicht voor een bouwactiviteit waarmee de draagconstructie wijzigt. Omdat dit een onbedoelde versoepeling is ten opzichte van bijlage II van het Bor is met ingang van 1 januari 2025 een nieuw onderdeel [2] toegevoegd aan het eerste lid van artikel 2.26 van het Bbl. Op grond daarvan is voor een bouwactiviteit die voorziet in wijziging van de draagconstructie een omgevingsvergunning voor een (technische) bouwactiviteit vereist. Omdat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit het op dat moment geldende recht moest worden toegepast, heeft het college op goede gronden overwogen dat er geen vergunningplicht gold voor wijzigingen van de draagconstructie. Dit betekent dat, hoewel eisers in zoverre terecht hebben betoogd dat sprake is van wijzigingen van de draagconstructie, hier ten tijde van het bestreden besluit geen omgevingsvergunning voor was vereist.
6.4.
Het betoog van eisers dat het college, gelet op de uitspraak van de Afdeling van
3 juli 2024 [3] , ten onrechte is uitgegaan van een vergunningvrije wijziging en niet van een overtreding naar oud recht die niet meer kan worden gehandhaafd, kan geen doel treffen. Het college moest immers nagaan of onder het nieuwe recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog steeds sprake was van een overtreding. [4] Tot een andere uitkomst – afwijzing van het handhavingsverzoek voor zover het de wijziging van de draagconstructie betreft – kon dit ook niet leiden.
Strijd met artikel 7:11 van Pro de Awb?
6.5.
Anders dan eisers betogen brengt de toetsing aan het recht ten tijde van het bestreden besluit (‘het nieuwe recht’) niet mee dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 7:11 van Pro de Awb. De hoofdregel is dat het college bij de heroverweging in bezwaar moet toetsen aan het recht zoals dat ten tijde van de heroverweging geldt. Op die hoofdregel bestaan uitzonderingen, die onder meer kunnen volgen uit overgangsrecht. In dit geval volgt uit het overgangsrecht dat het college in bezwaar moet beoordelen of volgens het nieuwe recht – het Bbl zoals dat ten tijde van de heroverweging luidt – nog steeds sprake is van een overtreding. Uit deze toetsing aan nieuw recht volgt anders dan eisers veronderstellen niet dat sprake is van een (primair) besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Vertrouwensbeginsel
6.6.
Eisers voeren daarnaast aan dat het college het vertrouwensbeginsel heeft geschonden. Door in het bestreden besluit bij de beoordeling of sprake is van een concreet zicht op legalisatie te toetsen aan het nieuwe, en niet zoals (telefonisch) toegezegd aan het oude recht, is volgens eisers een onvoorspelbaar en inconsistent besluit ontstaan. De gevolgen van de gewijzigde draagconstructie voor het pand van eisers zijn daardoor ten onrechte niet meegenomen in het bestreden besluit, aldus eisers.
6.7.
De rechtbank overweegt dat uit de door eisers overgelegde transcriptie van een telefoongesprek niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat in alle gevallen het oude recht doorslaggevend zou zijn bij de behandeling van het handhavingsverzoek. De door eisers aangehaalde zinsnede “alles wat we nu beoordelen, is nog op basis van de oude wet”, beschouwt de rechtbank als de uitleg van een hoofdregel waarop uitzonderingen mogelijk zijn.
Bouwovergangsrecht en gestelde uitbreiding bebouwd oppervlak
7. Eisers betogen dat het college er ten onrechte van is uitgegaan dat de uitbouw onder het overgangsrecht van artikel 10.1 van het bestemmingsplan valt. Daartoe voeren zij aan dat geen sprake is van een gedeeltelijke wijziging of vernieuwing van een bestaand (legaal) bouwwerk. Zij wijzen erop dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan in 2013 nog geen muur aanwezig was op de locatie van de in juli 2015 gebouwde nieuwe gevel van de uitbouw. Ook stellen zij dat het college had moeten onderzoeken of in afwijking van de omgevingsvergunning van 1948 is gebouwd. Op grond van die vergunning heeft de muur een diepte van 405 cm, terwijl de in 2015 nieuw gemetselde muur een diepte van 419 of 420 cm heeft. Door de wijziging van de gevel is daarom wel degelijk sprake van een uitbreiding van het bebouwde oppervlak en daarmee ook van het bouwvolume, aldus eisers.
7.1.
De rechtbank overweegt dat een geslaagd beroep op het overgangsrecht geen omgevingsvergunning vervangende titel geeft en dat het bouwwerk daardoor evenmin anderszins wordt gelegaliseerd. [5] De rechtbank begrijpt de verwijzing van het college naar het bouwovergangsrecht aldus dat het bouwwerk om die reden niet in strijd is met de planregel [6] dat een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak mag worden gebouwd.
7.2.
Uit de dossierstukken blijkt dat er op de plaats van de uitbouw eerder bebouwing is vergund en ook uit het daarin opgenomen fotomateriaal blijkt dat op die plaats bebouwing aanwezig is geweest.
7.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat de gevel van de uitbouw op exact dezelfde plaats staat als de voormalige stalen wand die na afbraak van de schuur is geplaatst. Of dat het geval is kan de rechtbank niet uit de stukken afleiden. Uit het dossier blijkt niet dat dit op basis van metingen is vastgesteld. In de tweede rapportage van de toezichthouder van 13 oktober 2023 zijn onderdelen van bouwtekeningen behorend bij een vergunning van 1907 en (kennelijk) een vergunning van 1924 rood omcirkeld, maar op basis daarvan kan de rechtbank niet vaststellen hoe de uitbouw zich verhoudt tot de oorspronkelijk vergunde bebouwing. Om die reden is het naar het oordeel van de rechtbank niet uit te sluiten dat de nieuwe gevel niet op exact dezelfde plaats staat als de voormalige stalen wand. In dat geval kan de oppervlakte van de bebouwing zijn toegenomen ten opzichte van de bebouwing die daar ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan stond. Niet alleen staat daarom niet vast het bouwwerk (volledig) valt onder het overgangsrecht, ook is daarmee niet zeker dat – zoals het college wel heeft aangenomen – is voldaan aan de voorwaarden in artikel 22.27, onder i, van het omgevingsplan gemeente Hillegom (omgevingsplan). Op grond van dat artikelonderdeel geldt, voor zover hier van belang, een uitzondering op de in artikel 22.26 opgenomen omgevingsvergunningplicht wanneer bij een te veranderen bouwwerk de oppervlakte en het bouwvolume niet worden uitgebreid.
Is sprake van een herhaalde aanvraag met betrekking tot de schuur, erfafscheiding en fietsenstalling?
8. Eisers kunnen zich er niet mee verenigen dat het college het handhavingsverzoek ten aanzien van de schuur, de erfafscheiding en de fietsenstalling heeft afgedaan als herhaalde aanvraag. Het in geding zijnde handhavingsverzoek is ingediend door eisers gezamenlijk. Nu het eerdere handhavingsverzoek, waar het college de afwijzing op baseert, enkel was ingediend door [eiser 1] betekent dit dat [eiser 2] nog niet eerder een inhoudelijk besluit op een mede door haar ingediend handhavingsverzoek heeft ontvangen, aldus eisers.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht stelt dat sprake is van een herhaalde aanvraag, als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, nu daarin geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld ten aanzien van de schuur, de erfafscheiding en de fietsenstalling. De rechtbank betrekt daarbij in haar oordeel dat voor de beoordeling of sprake is van een herhaalde aanvraag niet relevant is dat
[eiser 2] niet ook mede-indiener van het eerste handhavingsverzoek was. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in een uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2006. [7]
Plantenbak en schanskorf
9. Eisers voeren verder aan dat de plantenbak en schanskorf niet mogen worden gebouwd binnen de bestemming “Tuin” met dubbelbestemming “Waarde-Archeologie”. Volgens eisers heeft het college ten onrechte de expliciete mogelijkheden die de wetgever heeft geboden voor het beperken van vergunningsvrij bouwen door middel van een dubbelbestemming genegeerd.
9.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de dubbelbestemming
“Waarde-Archeologie” niet in de weg staat aan het verwezenlijken van bouwwerken op de bestemming “Tuin” en dat het bestemmingsplan ook niet de mogelijkheid van vergunningvrij bouwen in achtererfgebied uitsluit. De rechtbank overweegt dat de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie” niet uitsluit dat bouwwerken worden gebouwd op gronden met de bestemming “Tuin”. Op grond van artikel 5.2.2,
onder b, van het bestemmingsplan is het bijvoorbeeld mogelijk is om een bouwwerk te plaatsen waarvoor geen graaf- of heiwerkzaamheden hoeven te worden verricht. In het bestemmingsplan is ook niet bepaald dat gronden met de bestemmingen “Tuin” en
“Waarde-Archeologie” niet als erf ten dienste van het hoofdgebouw mogen worden gebruikt. Zo’n verbod is wel verreist om vergunningvrij bouwen op grond van artikel 2 van Pro bijlage II van het Bor uit te sluiten. [8] Daarbij komt nog dat de mogelijkheid van het vergunningvrij plaatsen van tuinmeubilair niet is gekoppeld aan het begrip ‘erf’ en niet via het bestemmingsplan kan worden beperkt. [9]
Eigendomsverhoudingen en gestelde evidente privaatrechtelijke belemmering
10. Voor zover eisers betogen dat het college zijn bevoegdheid heeft overschreden door zich uit te laten over privaatrechtelijke kwesties overweegt de rechtbank als volgt. Dat onderwerpen zoals de eigendom van bouwwerken of perceelsgrenzen in het bestreden besluit aan de orde zijn gekomen, is volgens de rechtbank begrijpelijk, gelet op het in het bezwaar van eisers opgenomen betoog dat over de erfgrens zou zijn gebouwd. Alleen al vanwege de omstandigheid dat het college zelf geen eigendomsverhoudingen heeft vastgesteld of aantoonbaar is afgeweken van kadastrale informatie is de rechtbank van oordeel dat het college in zoverre niet in strijd heeft gehandeld met aan hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheden.
10.1.
Omdat het handhavingsverzoek niet strekt tot handhaving van regels uit in het Bouwbesluit 2012 over de omvang brandcompartimenten, volgt de rechtbank eisers ook niet in het betoog dat het college om die reden onderzoek had moeten doen naar de eigendomsverhoudingen.
10.2.
Voor zover eisers betogen dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering omdat over de erfgrens is gebouwd, kan dit geen doel treffen. De burgerlijke rechter en niet de bestuursrechter moet als eerste beoordelen of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan het uitvoeren van een vergunningplichtige activiteit. De bestuursrechter zal daarom alleen oordelen dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vergunningverlening in de weg staat als die belemmering evident is. Die beoordeling is verder alleen relevant voor zover met een omgevingsvergunning wordt afgeweken van het bestemmingsplan. [10] Aan de hiervoor bedoelde beoordeling kan nu niet worden toegekomen. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op vergunningverlening en daarin wordt ook niet het standpunt ingenomen dat sprake is van concreet uitzicht op legalisatie van een vergunningplichtige wijziging van de draagconstructie.
Misbruik van procesrecht
11. Belanghebbenden hebben de rechtbank verzocht het beroep van eisers
niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van procesrecht. Ook hebben zij verzocht om eisers om die reden te veroordelen in de door hen gemaakte proceskosten.
11.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daarover het volgende.
11.2.
De bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen kan niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Daarvan kan sprake zijn als rechten of bevoegdheden zodanig evident worden aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of plichten blijk geeft van kwade trouw. [11]
11.3.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat herhaalde verzoeken om handhaving belastend zijn voor belanghebbenden, ziet de rechtbank op dit moment geen aanknopingspunt voor het oordeel dat eisers misbruik van recht hebben gemaakt door het instellen van beroep. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het beroep onder meer betrekking heeft op handhaving van regelgeving over een uitbouw die tegen de woning van eisers is aangebouwd. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat zij er nadeel van kunnen ondervinden als die uitbouw in strijd is met daarover gestelde wettelijke regels.

Conclusie en gevolgen

12. Het bestreden besluit is in strijd is genomen met artikel 3:2 en Pro 7:12 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat het college zal moeten onderzoeken of de wijziging van de gevel een wijziging van de draagconstructie is. Als uit het te verrichten onderzoek volgt dat sprake is van een wijziging van de draagconstructie, zal het college naar het ten tijde van het te nemen besluit geldende recht moeten beoordelen of sprake is van een bouwactiviteit waarvoor een omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteit is vereist. Die beoordeling moet het college eveneens maken met betrekking tot de wijziging van de fundering. Uit een oogpunt van zorgvuldige en consistente besluitvorming geldt het voorgaande ook voor wijzigingen van de dakconstructie en het slopen van dragende muren, die door het college zijn aangemerkt als wijzigingen van de draagconstructie.
12.1.
Verder zal het college moeten beoordelen of voor deze wijzigingen van de uitbouw op grond van artikel 22.26 in samenhang met artikel 2.27, onder i, van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is vereist. Op basis van dit onderzoek zal het college opnieuw moeten beoordelen of sprake is van overtredingen met betrekking tot bouwwerkzaamheden aan de uitbouw en zo ja, of handhavend optreden daartegen is aangewezen.
12.2.
Gelet op het nog door het college te verrichten onderzoek ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Om diezelfde reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het college op te dragen om het geconstateerde gebrek te herstellen met een verbeterde motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor een termijn van twaalf weken, om het college in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te verrichten en zo nodig eisers en de belanghebbenden naar aanleiding daarvan opnieuw in bezwaar te laten horen.
12.3.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eisers vergoeden. Voor vergoeding van door eisers gevraagde verletkosten bestaat geen aanleiding, omdat eisers niet met bewijsstukken hebben onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt. De gevraagde vergoeding voor reiskosten stelt de rechtbank op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 34,80.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het gegrond;
- vernietigt het besluit van 9 augustus 2024;
- draagt het college op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 34,80 aan proceskosten van eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Besluit bouwwerken leefomgeving (zoals dat gold op 9 augustus 2024)
Artikel 2.26. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken zonder dak)
1.
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:
a. hoger is dan 5 m; of
b. ondergronds is gelegen.
(…)
Omgevingsplan gemeente Hillegom
Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 - omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
(…)
i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1° geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
2° geen uitbreiding van het bouwvolume; en
(…)
Bestemmingsplan [adres 1]
Artikel 3 Tuin Pro
3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen behorende bij de hoofdgebouwen, verblijfsgebied, groen- en speelvoorzieningen met bijbehorende gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, parkeervoorzieningen water en voorzieningen voor de waterhuishouding.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen mogen niet worden gebouwd, met uitzondering van aangebouwde bijbehorende bouwwerken (erkers) bij de hoofdgebouwen van de op de aangrenzende gronden gelegen woningen, mits:
(…)
3.2.2
Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:
1. erf- en terreinafscheidingen voor (het verlengde van) de voorgevel 1 m;
2. erf- en terreinafscheidingen achter (het verlengde van) de voorgevel 2 m;
3. pergola’s 2,5 m;
4. vlaggenmasten 6,5 m.
Artikel 4 Wonen Pro
(…)
4.2
Bouwregels
4.2.1
Hoofdgebouwen voldoen aan de volgende kenmerken:
a. hoofdgebouwen worden gerealiseerd binnen het bouwvlak;
(…)
Artikel 5 Waarde Pro – Archeologie
(…)
5.2
Bouwregels
5.2.1
Op deze gronden mogen ten behoeve van de in het eerste lid bedoelde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
5.2.2
Ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op:
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid; of
een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2; of een bouwwerk dat zonder graaf- of heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
(…)
Artikel 10 Overgangsrecht Pro
10.1
Overgangsrecht bouwwerken
10.1.1
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
(…)

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2645, onder 16 en 27.
2.Artikel 2.26, eerste lid, onder c, van het Bbl, zoals toegevoegd via het Verzamelbesluit Besluit bouwwerken leefomgeving 2024 (Stb. 2024, 368).
4.ECLI:NL:RVS:2024:2645, onder 16 en 27.
5.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:735.
6.Artikel 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels.
8.Uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2710, onder 12.3.
9.Uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1413, onder 8.2.
10.Uitspraak van de Afdeling van 3 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5875, onder 5.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van