ECLI:NL:RBDHA:2026:17532

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32002
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000Art. 8 Vw 2000Art. 69 Vw 2000Art. 1 Algemene Termijnenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring vreemdeling wegens risico op toezichtontduiking

De minister van Asiel en Migratie legde op 16 mei 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 16 juni 2026 via beeldverbinding, waarbij eiser afstand deed van zijn recht op mondelinge behandeling.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet op voorgeschreven wijze Nederland binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en onvoldoende medewerking aan identiteitsvaststelling. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het ontbreken van vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Eiser betwistte de feiten niet, maar verwees naar een Duits verblijfsrecht dat hij niet kon aantonen en stelde dat terugkeer naar Libië onmogelijk is vanwege oorlogsomstandigheden.

De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist zijn en voldoende om de bewaring te dragen. Het risico dat eiser zich aan toezicht zal onttrekken, rechtvaardigt de maatregel. De rechtbank verwierp het betoog dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat de minister voldoende motiveerde dat dit niet mogelijk was. Ook het verzoek om omzetting van de maatregel naar een andere grondslag werd afgewezen, omdat eiser tot 15 juni 2026 beroep kon instellen en de minister pas daarna verplicht was de grondslag te wijzigen.

De ambtshalve toetsing leverde geen andere conclusie op. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32002

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

1. Bij besluit van 16 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser heeft door middel van een afstandsverklaring afstand gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
Eiser refereert zich ten aanzien van de zware en lichte gronden aan het oordeel van de rechtbank. Wel voert hij daarbij aan dat hij over een Duits verblijfsrecht beschikt, maar dit niet kan aantonen. Volgens eiser heeft hij in Duitsland een asielprocedure doorlopen en ontving hij daar leefgeld, waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien. Verder voert eiser aan dat hij niet kan terugkeren naar Libië, omdat hij als gevolg van de oorlog in de problemen zal komen.
2.2.
De rechtbank stelt vast dat het voor de zware gronden 3a, 3b en 3d voldoende is dat deze feitelijk juist zijn. [1] De feitelijke juistheid van de zware gronden 3a, 3b en 3d wordt met bovenstaand betoog door eiser niet betwist. Omdat de zware gronden 3a, 3b en 3d feitelijk juist zijn, zijn deze voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Hieruit volgt het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
2.3.
Voor zover eiser aanvoert dat hij niet kan terugkeren naar Libië, stelt de minister terecht dat eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel, gelet op zijn asielaanvraag, geen verplichting tot terugkeer had. De door eiser gestelde problemen bij terugkeer naar Libië kunnen in het kader van zijn asielprocedure worden aangevoerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser voert aan dat hij het vervelend vindt om in bewaring te verblijven en dat hij bereid is om zijn medewerking te verlenen. Dat hij niet heeft meegewerkt aan zijn gehoor voor zijn asielaanvraag op Schiphol, komt volgens eiser omdat hij dacht dat hij daar uitgezet zou worden.
3.1.
Voor zover eiser met deze grond heeft beoogd te betogen dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, is de rechtbank van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Zoals onder 2.2. overwogen, volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd het risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken en al eerder een asielaanvraag heeft ingediend. De enkele verklaring van eiser dat hij het vervelend vindt om in bewaring te verblijven en zijn medewerking nu wel zal verlenen, maakt het voorgaande niet anders. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de maatregel van bewaring moeten omzetten naar een andere grondslag?
4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring zo spoedig mogelijk moet worden omgezet naar een andere grondslag, nu zijn asielaanvraag is afgewezen en hij geen beroep heeft ingesteld.
4.1.
De rechtbank dient vast te stellen wanneer de minister gehouden is de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. In het arrest Gnandi [2] en de beschikking C., J. en S. [3] heeft het Hof van Justitie onder meer geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn de mogelijkheid biedt om gelijktijdig met de afwijzing van een asielaanvraag een terugkeerbesluit op te leggen. Voorwaarde daarbij is wel dat de betrokken lidstaat waarborgt dat het rechtsmiddel tegen het besluit waarbij dat verzoek is afgewezen ten volle doeltreffend is. [4] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft hieruit afgeleid dat een vreemdeling, nadat de asielaanvraag ongegrond is verklaard, gedurende de rechtsmiddelentermijn procedureel rechtmatig verblijf heeft in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000. [5] In deze periode mag de maatregel van bewaring worden voortgezet op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000. De rechtbank stelt vast dat eiser in elk geval rechtmatig verblijf heeft tot het moment dat de beroepstermijn ongebruikt is verstreken. [6] Gelet hierop is de minister gedurende de beroepstermijn niet gehouden om de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen en is het rechtmatig om de maatregel te verlengen op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser in beginsel tot en met zaterdag 13 juni 2026 de tijd had om beroep in te stellen. [7] Uit artikel 1 van Pro de Algemene Termijnenwet volgt echter dat een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Dat betekent dat eiser tot en met maandag 15 juni 2026 de tijd had om beroep in te stellen. De rechtbank concludeert dat de minister vanaf 15 juni 2026 dan ook gehouden was om de grondslag van de maatregel van bewaring te wijzigen. Volgens vaste rechtspraak dient de minister een maatregel van bewaring binnen 48 uur om te zetten naar een andere grondslag, wanneer deze niet meer op een juiste wettelijke grondslag berust. [8] Dit betekent dat de minister uiterlijk op 17 juni 2026 de maatregel moet omzetten. Die termijn was op het moment van het sluiten van het onderzoek nog niet bereikt. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [9]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Arrest van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465.
3.Beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544.
4.ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1710, r.o. 3.1.
5.15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442.
6.Op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
7.Dat volgt uit artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000.
8.Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504.
9.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).