ECLI:NL:RBDHA:2026:17361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
NL26.20354
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 13 DublinverordeningArt. 24 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit Dublinprocedure wegens onvoldoende leeftijdsonderzoek minderjarige asielzoeker

Eiser diende op 9 november 2025 een asielaanvraag in Nederland in en gaf aan minderjarig te zijn. De minister stelde echter vast dat eiser meerderjarig was, mede op basis van registraties in Spanje en Duitsland en een leeftijdsschouw die niet volledig volgens de regels was uitgevoerd. De minister besloot daarom de aanvraag niet in behandeling te nemen en verwees de verantwoordelijkheid naar Spanje op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende was om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. De minister heeft niet voldoende onderzocht hoe de leeftijdsregistraties in andere lidstaten tot stand zijn gekomen en heeft nagelaten het eerder toegezegde medisch leeftijdsonderzoek uit te voeren. Ook is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.

De rechtbank vernietigt het besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende leeftijdsonderzoek en motivering, en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20354

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van 10 april 2026 de minister om de aanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Eiser is het daarmee niet eens. Hij stelt dat hij minderjarig was ten tijde van de aanvraag. Volgens hem heeft de minister zijn leeftijd onjuist vastgesteld.
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en vernietigt het bestreden besluit. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit en procesverloop

3. Eiser heeft op 9 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland en op dezelfde dag een schouwgehoor met DISA [1] gehad. Hij heeft daarbij aangegeven de Somalische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] en dus 17 jaar oud te zijn op dat moment. Tijdens de schouw van DISA heeft eiser aangegeven dat hij in Duitsland dezelfde naam en geboortejaar heeft opgegeven als in Nederland, maar dat ze daar hebben vastgelegd dat eiser 19 jaar zou zijn. In het schouwgehoorverslag van DISA is het volgende opgenomen: “Op basis van bovenstaande verklaringen en signalen oordelen wij dat geconcludeerd kan worden dat er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd omdat er in Duitsland een registratie bestaat dat hij 19 jaar zou zijn.”
3.1.
Een medewerker van de IND [2] heeft tijdens het aanmeldgehoor op 21 november 2025 ook een leeftijdsschouw verricht en geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is. Daarna is aan eiser medegedeeld dat er nader onderzoek zal worden verricht naar zijn leeftijd. Eiser is op 21 november 2025 akkoord gegaan met het verrichten van een compleet leeftijdsonderzoek (handpolsgewricht en sleutelbeenderen) door het daarvoor bedoelde formulier te ondertekenen.
3.2.
Uit Eurodac blijkt dat op 19 juni 2025 vingerafdrukken zijn afgenomen van eiser in Palma de Mallorca (Spanje). Op 3 september 2025 zijn vingerafdrukken van hem afgenomen in Bochum (Duitsland). Eiser heeft in het aanmeldgehoor verklaard dat hij in Spanje en Duitsland dezelfde geboortedatum heeft opgegeven als in Nederland. In Spanje is hij een maand geweest, hij is daar naar een opvang voor volwassenen gebracht. In Duitsland kwam hij eerst in een opvang voor minderjarigen, maar na zes dagen werd hij naar een opvang voor volwassenen gebracht, omdat ze aan eiser een oudere leeftijd hadden toegekend. Eiser heeft verklaard niet te weten waarom dat was. Er is in Duitsland volgens hem geen leeftijdsonderzoek gedaan.
3.3.
De minister heeft op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening informatie opgevraagd bij de Spaanse en Duitse autoriteiten. Uit de reacties van 12 december 2025 blijkt dat eiser in deze landen bekend is onder de volgende gegevens:
Informatie Spaanse autoriteiten
Voor- en achternaam: [naam]
Geboortedatum: [geboortedatum]
Geboorteplaats: Desconocido, Somalië
Informatie Duitse autoriteiten
Voor- en achternaam: [naam]
Geboortedatum: [geboortedatum]
Geboorteplaats: Ceelasha, Somalië
Nationaliteit: Somalische
De Duitse autoriteiten hebben vijf aliassen geregistreerd:
1. [naam], [geboortedatum]/Somalia
2. [naam], [geboortedatum]/Somalia
3. [naam], [geboortedatum]/Cheelasha, Somalia
4. [naam], [geboortedatum]/Ceelasha, Somalia
5. [naam], [geboortedatum]/Elasha Biyaha, Somalia
3.4.
Op 24 december 2025 heeft de minister Nidos geïnformeerd dat de leeftijd van eiser zal worden aangepast naar meerderjarig. De minister heeft een kennisgeving verstuurd van gewijzigde persoonsgegevens waarin hij eisers geboortedatum aanpast naar [geboortedatum].
3.5.
Nederland heeft op 8 januari 2026 Spanje verzocht om overname. Spanje heeft dit verzoek op 15 januari 2026 aanvaard op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening. Vervolgens heeft de minister, na een voornemen en ontvangen zienswijze, het bestreden besluit genomen. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
3.6.
De rechtbank heeft het beroep, tegelijk met het verzoek om een voorlopige voorziening [3] , op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
3.7.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.

Toetsingskader

4. In het onderhavige geschil is, gelet de datum van indiening van de asielaanvraag en het daarop van toepassing zijnde overgangsrecht, de Dublinverordening van toepassing. [4] De beoordeling van de verantwoordelijke lidstaat vindt plaats aan de hand van de criteria uit deze verordening.
5. Als een niet-begeleide minderjarige zonder gezinsleden, broers of zussen in één van de lidstaten een asielaanvraag indient bij een lidstaat, dan is die lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling daarvan, mits dit in het belang is van de minderjarige. [5] In een dergelijke situatie wordt de minderjarige dus in principe niet overgedragen aan een andere EU-lidstaat in het kader van de Dublinverordening. De leeftijd van de vreemdeling, eiser in dit geval, is dan ook van wezenlijk belang.
5.1.
Bij een alleenstaande minderjarige vreemdeling die zijn minderjarigheid niet met authentieke identiteitsdocumenten kan aantonen, vindt tijdens de aanmeldfase een leeftijdsschouw plaats. Als uit de leeftijdsschouw niet blijkt dat de vreemdeling evident meerderjarig- of minderjarig is, kan de IND een leeftijdsonderzoek aanbieden. [6] Het beleid in de Vc is nader uitgewerkt in de WI 2025/1 [7] .

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
Zienswijze herhaald en ingelast
7. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
De leeftijdsvaststelling
8. De kern van het geschil is de vraag of de minister eiser terecht heeft aangemerkt als meerderjarige. Eiser voert aan dat het voornemen ondeugdelijk is, nu daarin geen kenbare en dragende beoordeling is gegeven van de leeftijd van eiser, terwijl deze in de Dublinprocedure van beslissende betekenis is voor de vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat. Eiser verwijst daarbij naar de jurisprudentie van de Afdeling [8] van 11 april 2025. Daarnaast stelt eiser dat het bestreden besluit berust op een onzorgvuldige voorbereiding en een ondeugdelijke motivering ten aanzien van de leeftijdsvaststelling. Daartoe voert eiser aan dat de door DISA uitgevoerde schouw niet overeenkomstig de geldende werkwijze is verricht, terwijl de minister desondanks aan die schouw beslissende betekenis heeft toegekend bij de beoordeling van de leeftijd. Verder stelt eiser dat de minister, gelet op de uitkomsten en de interne werkinstructies inzake leeftijdsbepaling, bij tegenstrijdige of niet eenduidige bevindingen had behoren uit te gaan van het vermoeden van minderjarigheid en nader onderzoek had moeten verrichten. In dat kader voert eiser aan dat ten onrechte geen medisch leeftijdsonderzoek is uitgevoerd, terwijl dit was toegezegd en bij hem het vertrouwen is gewekt dat dit zou worden verricht. Daarnaast betoogt eiser dat het door de minister verrichte onderzoek naar registraties in andere lidstaten, waaronder Duitsland en Spanje, onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende inzichtelijk is geweest. Niet is kenbaar onderzocht op welke wijze de desbetreffende registraties tot stand zijn gekomen, noch is gemotiveerd waarom aan die registraties doorslaggevende betekenis toekomt. Eiser concludeert dat niet van meerderjarigheid had mogen worden uitgegaan en dat daarom geen grondslag bestond voor het leggen van een Dublinclaim, zodat de minister van het bestreden besluit had behoren af te zien.
9. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser terecht als meerderjarig is aangemerkt. De DISA-schouw is weliswaar niet geheel conform de voorgeschreven werkwijze verricht, maar niet doorslaggevend geweest voor de leeftijdsbeoordeling. De twijfel over de opgegeven leeftijd is gebaseerd op de verklaring van eiser dat hij in Duitsland als 19-jarige staat geregistreerd en op registraties in Duitsland en Spanje waaruit volgt dat eiser onder verschillende geboortedata en identiteiten bekend is. Deze registraties hebben aanleiding gegeven tot nader onderzoek op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening in Spanje en Duitsland. Uit de informatie van de Spaanse autoriteiten volgt dat eiser daar staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum] dat hij daar vingerafdrukken heeft afgegeven en dat geen asielaanvraag is ingediend. Volgens de minister heeft eiser geen plausibele verklaring gegeven voor de verschillen met de door hem in Nederland opgegeven leeftijd, hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen. Daarnaast wordt van belang geacht dat eiser in Spanje gedurende een periode in een opvang voor volwassenen heeft verbleven zonder correctie van zijn geregistreerde geboortedatum, terwijl hem is medegedeeld dat dit mogelijk was. De minister concludeert dat hiermee voldoende is gemotiveerd dat aan de buitenlandse registraties gewicht kan worden toegekend en dat het vermoeden van minderjarigheid is ontzenuwd, zodat een medisch leeftijdsonderzoek niet noodzakelijk was. Ten aanzien van het voornemen stelt de minister dat de brief van 24 december 2025, waarin de leeftijdsaanpassing naar meerderjarigheid is medegedeeld, voldoende duidelijk maakt op welke gronden die beslissing berust. Volgens de minister hoefden die overwegingen daarom niet afzonderlijk in het voornemen te worden uitgewerkt.
10. Uit de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2024 [9] volgt dat als een vreemdeling stelt minderjarig te zijn, maar de minister daarover twijfels heeft, als vertrekpunt de presumptie van minderjarigheid geldt. Dat betekent dat de minister dan van het vermoeden moet uitgaan dat de vreemdeling minderjarig is en deze vreemdeling als minderjarige moet behandelen. Het is dan aan de minister om dat vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hij zal dan nader onderzoek moeten doen, eventueel in samenwerking met andere lidstaten. Als hij na dat onderzoek toch tot de conclusie komt dat de twijfel over de minderjarigheid is weggenomen en hij ervan uitgaat dat de vreemdeling meerderjarig is, dan zal hij dat moeten motiveren. Bij dit onderzoek zal hij ook moeten samenwerken met de vreemdeling. Daarbij moet hij rekening houden met de belangen van het kind bedoeld in artikel 24 van Pro het EU Handvest en artikel 3 van Pro het Kinderrechtenverdrag, en vreemdelingen bij het ontbreken van bewijsmateriaal onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven.
10.1.
De Afdeling heeft in de genoemde uitspraken uiteengezet hoe moet worden omgegaan met een leeftijdsregistratie in een andere lidstaat van de Europese Unie. Als de minister een leeftijdsregistratie uit een andere lidstaat aantreft, waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij die bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling betrekken en daaraan gewicht toekennen. Hij zal dan steeds zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan een bepaalde registratie toekent en waarom. Daarbij zal hij zo mogelijk moeten toelichten waarop de leeftijdsregistratie is gebaseerd. Als een leeftijdsregistratie is gebaseerd op een brondocument of een medisch leeftijdsonderzoek, dan zal hij hierover navraag moeten doen bij de betreffende lidstaat en nader moeten toelichten waarom hij daaraan al dan niet een bepaalde waarde hecht. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor deze afwijkende verklaring, omdat deze afwijking in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. De minister zal steeds alle feiten en omstandigheden moeten meewegen bij het beoordelen van de leeftijd van een vreemdeling die stelt minderjarig te zijn. De minister moet bij deze beoordeling ook eventuele overgelegde bewijsmiddelen, zoals officiële en onofficiële identificerende documenten en/of verklaringen van voogden van Nidos, betrekken.
10.2.
De minister heeft de uitspraken van de Afdeling verwerkt in WI 2025/1.
11. Zoals onder 3 en 3.1 is aangegeven, zijn er twee schouwen verricht, door DISA en de IND. Niet in geschil is dat de schouw door DISA niet voldoet aan de daarvoor geldende regels. In het verweer en tijdens de zitting is door de gemachtigde van de minister toegelicht dat de uitkomst van de schouw van DISA niet ten grondslag is gelegd aan het ontzenuwen van het vermoeden dat eiser minderjarig is. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog, dat nu de DISA-schouw wegvalt er moet worden uitgegaan van de conclusie van de IND-schouw dat eiser evident minderjarig is. De rechtbank betrekt hierbij dat eiser tijdens het schouwgehoor met DISA heeft verklaard dat in Spanje en Duitsland zijn vingerafdrukken zijn afgenomen, hetgeen ook uit Eurodac blijkt. In WI 2025/1 is vermeld dat bij een Eurodac-treffer in voorkomende gevallen een onderzoek als bedoeld in artikel 34 van Pro de Dublinverordening wordt opgestart. [10] Ook heeft eiser verklaard in Duitsland als meerderjarige te zijn geregistreerd. De minister heeft naar aanleiding van deze informatie nader onderzoek als bedoeld in artikel 34 van Pro de Dublinverordening verricht en informatie opgevraagd bij zowel de Spaanse als de Duitse autoriteiten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat, gelet op de ondeugdelijke DISA-schouw, dit nader onderzoek niet had mogen plaatsvinden of dat eerst herstel daarvan had moeten plaatsvinden door het verrichten van een nieuwe schouw. Uit het beleid noch uit de jurisprudentie volgt dat de minister in een dergelijk geval geen nader onderzoek mag verrichten of gehouden is een nieuwe schouw te laten plaatsvinden.
11.1.
De rechtbank is echter van oordeel dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is om het vermoeden van minderjarigheid te ontzenuwen. Hiervoor, onder 3.3, is weergegeven welke informatie van de Spaanse en Duitse autoriteiten is ontvangen. Uit WI 2025/1 volgt dat als een vreemdeling in meerdere lidstaten is geregistreerd met wisselende geboortedata die zowel kunnen duiden op minderjarigheid als op meerderjarigheid, nader onderzoek naar deze registraties dient plaats te vinden. In WI 2025/1 is aangegeven dat als uit het onderzoek naar de registraties in de andere lidsta(a)t(en) geen duidelijk resultaat komt, alsnog vervolgonderzoek kan plaatsvinden, zoals een medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank stelt vast dat uit de antwoorden van de Spaanse en Duitse autoriteiten op de informatieverzoeken niet blijkt op welke wijze de desbetreffende registraties tot stand zijn gekomen. Niet inzichtelijk is of deze registraties zijn gebaseerd op documenten, verklaringen of andere bronnen. Gelet op de verklaringen van eiser, waarin hij stelt dat sprake is van onjuiste of onjuist geregistreerde gegevens omdat hij in alle landen dezelfde geboortedatum, namelijk 26 oktober 2008, heeft opgegeven, lag het op de weg van de minister om nader te onderzoeken op welke wijze de registraties tot stand zijn gekomen en of nadere verificatie mogelijk was. Dit geldt te meer nu deze registraties van doorslaggevend gewicht zijn geweest voor de uitkomst van de leeftijdsbeoordeling. Dat de minister nu stelt dat is uitgegaan van de eerste registratie, die in Spanje, is in dit licht onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom is afgezien van het eerder aangekondigde medisch leeftijdsonderzoek. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het door de minister verrichte onderzoek onvoldoende is en daarmee het vermoeden van minderjarigheid niet heeft ontzenuwd.
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid door in het voornemen niet alle dragende overwegingen op te nemen. Uit uitspraken van de Afdeling [11] volgt dat de minister voldoende duidelijk uiteen moet zetten dat, en op grond van welke redenen, de andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Zoals eiser terecht betoogt, is de vaststelling van de minder- of meerderjarigheid een essentieel punt om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. De minister is hierop in het voornemen geheel niet ingegaan. Dat de minister in de brief van 24 december 2025 aan Nidos een toelichting heeft gegeven, maakt dit niet anders. In deze brief is zoals eiser terecht betoogt immers geen kenbare afweging gemaakt en bovendien maakt deze brief geen onderdeel uit van het voornemen.
13. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het bestreden besluit en het daaraan voorafgegane voornemen niet berusten op een deugdelijke motivering en in strijd zijn met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen.
13.1.
Omdat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt, wordt de subsidiaire beroepsgrond van eiser over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Spanje niet besproken.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). [12]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt de minister een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiser waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers.
2.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
3.Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20355.
4.Zie artikel 84 van Pro de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.
5.Dit staat in artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening.
6.Dit staat in C1/2.1 en 2.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
7.Werkinstructie WI 2025/1, Leeftijdsbepaling.
8.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
10.WI 2025/1, par. 3.3.
11.Zie de uitspraken van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348) en 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642).
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.