De rechtbank Den Haag behandelde het verzet van opposante tegen de uitspraak van 4 maart 2026, waarin het beroep van opposante gegrond werd verklaard wegens niet-tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank had toen de proceskosten vastgesteld met een wegingsfactor van 0,25, wat neerkwam op een zeer lichte zaak.
Opposante stelde dat de rechtbank ten onrechte de zaak als zeer licht had aangemerkt en verwees naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, waarin bij niet-tijdig beslissen een wegingsfactor van 0,5 en een lichte zaak passend werd geacht. Opposante vorderde daarom een herbeoordeling van de proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelde dat opposante geen procesbelang heeft bij het verzet tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding, omdat het enkel procederen voor proceskosten geen zelfstandig procesbelang oplevert volgens vaste rechtspraak van de Afdeling en de Centrale Raad van Beroep. Het reële belang van opposante was reeds bereikt met de gegrondverklaring van het beroep op niet-tijdig beslissen.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk en liet de uitspraak van 4 maart 2026 ongewijzigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling in deze verzetprocedure. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.