ECLI:NL:RVS:2024:2508
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- C.H. Bangma
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Beoordeling procesbelang bij vergoeding van proceskosten na intrekking Wob-verzoek
Appellant diende op 16 november 2020 een Wob-verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Bergen. Het college besloot niet tijdig, waarop appellant bezwaar maakte tegen het uitblijven van een beslissing. Vervolgens trok appellant het Wob-verzoek in. Het college verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat het intrekken van het verzoek het belang wegneemt. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel procesbelang had bij een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten, omdat hij juridische kosten had gemaakt. Hij verwees naar vaste rechtspraak waarin een tijdig verzoek om vergoeding procesbelang kan opleveren, ook als het onderliggende belang is vervallen. Ook stelde hij dat overgangsrecht passend zou zijn gezien recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat procesbelang vereist dat het doel van het rechtsmiddel kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is. De Centrale Raad van Beroep heeft recentelijk de lijn verlaten dat het niet vergoeden van bezwaarkosten een zelfstandig procesbelang oplevert. De Afdeling volgt deze lijn en oordeelt dat het verzoek om vergoeding van proceskosten het enige belang van appellant is, en dat dit geen procesbelang oplevert.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor overgangsrecht en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.