ECLI:NL:RBDHA:2026:16866

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL23.36979
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 6:20 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na niet tijdig beslissen minister

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag van 15 juni 2022. De minister nam op 19 maart 2024 alsnog een besluit en verleende een verblijfsvergunning met ingang van 10 september 2022. Eiser was het niet eens met deze ingangsdatum en voerde aan dat de juiste datum 15 juni 2022 is.

De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk is geworden omdat de minister inmiddels heeft beslist, waardoor het beroep zijn doel mist. Wel verklaarde de rechtbank het beroep tegen het besluit over de ingangsdatum gegrond, omdat partijen overeenkomen dat de ingangsdatum onjuist is vastgesteld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelde deze vast op 15 juni 2022, de datum waarop eiser zijn asielwens kenbaar maakte. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser vanwege het te late besluit en de noodzaak van het beroep.

De uitspraak volgt eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en eerdere uitspraken van de rechtbank zelf, waarin werd vastgesteld dat beslistermijnen niet met negen maanden kunnen worden verlengd op grond van het WBV 2022/22. De rechtbank wees ook het verzoek van de minister af om een lagere wegingsfactor toe te passen bij de proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk, het beroep tegen het besluit over de ingangsdatum is gegrond en de ingangsdatum wordt vastgesteld op 15 juni 2022.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL23.36979
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser op 24 november 2023 heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen door de minister op de asielaanvraag van eiser van 15 juni 2022.
1.1
De minister heeft op 19 maart 2024 alsnog een besluit genomen op aanvraag van eiser. In het bestreden besluit heeft de minister aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 10 september 2022.
1.2
Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 28 maart 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
1.4
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend op 2 april 2024 in afwachting van het antwoord op de prejudiciële vragen gesteld bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 19 oktober 2023.1
1.5
In de uitspraak van 20 januari 20252 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) geoordeeld dat artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zo moet worden uitgelegd dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel wordt bepaald door het moment dat een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten zijn asielwens kenbaar maakt.
1.6
Partijen hebben een standpunt ingenomen over de gevolgen van laatstgenoemde uitspraak voor de zaak van eiser.
1.7
De rechtbank heeft partijen op 7 april 2026 gevraagd of zij nog een keer op een zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft aangegeven nog behoefte te hebben aan een nadere zitting.

Overwegingen

Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
3. Sinds 27 september 2022 is het besluit met kenmerk WBV 2022/22 van kracht.4 Dit besluit heeft tot gevolg dat de beslistermijnen van asielaanvragen die op 27 september 2022 nog niet waren verstreken met negen maanden zijn verlengd. Dit geldt ook voor asielaanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2023. De aanvraag valt onder het toepassingsbereik van WBV 2022/22. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat de beslistermijn van de aanvraag met negen maanden is verlengd.
4. In zijn uitspraak van 13 februari 20265 heeft deze zittingsplaats geoordeeld dat het besluit met kenmerk WBV 2023/36 buiten toepassing blijft. De in die uitspraak beschreven uitgangspunten en conclusie past deze zittingsplaats ook toe ten aanzien van WBV 2022/22. Deze zittingsplaats verlaat daarmee de lijn die hij heeft ingezet met zijn uitspraak van
24 maart 2023.7 Ook de ABRvS heeft inmiddels geoordeeld dat WBV 2022/22 onverbindend is.8 Voor de aanvraag betekent dit dat de beslistermijn niet is verlengd met negen maanden. De minister heeft de aanvraag op 15 juni 2022 ontvangen. De besli
stermijn van zes maanden9 was verstreken toen eiser de ingebrekestelling op 10 november 2023 indiende bij de minister. Voorts heeft eiser tijdig beroep ingesteld.
5. De minister heeft op 19 maart 2024 alsnog een besluit genomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister is hierdoor niet-ontvankelijk. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat de minister alsnog zou beslissen op zijn aanvraag. Omdat de minister inmiddels heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Eiser heeft zogezegd geen procesbelang meer bij zijn beroep.
6. Het beroep van eiser voor zover dit gericht is op het niet tijdig beslissen op de aanvraag van 15 juni 2022 is daarom niet-ontvankelijk.
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4 Staatscourant van 26 september 2022, nr. 25755.
6 Staatscourant van 26 januari 2023, nr. 3235.
9 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit
7. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag heeft mede betrekking op het reële besluit, aangezien het reële besluit niet geheel aan het beroep tegemoetkomt.10 Eiser voert in dit verband aan dat de minister de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning onjuist heeft vastgesteld.
8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de minister in het bestreden besluit de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte heeft vastgesteld op 10 september 2022. Partijen zijn het erover eens dat de juiste ingangsdatum 15 juni 2022 is. In het verweerschrift van 13 maart 2025 heeft de minister de rechtbank verzocht om zelf in de zaak te voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 15 juni 2022 en te bepalen dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb.
9. Het beroep van eiser voor zover dit is gericht tegen het alsnog genomen besluit is daarom gegrond.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep van eiser voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover dit is gericht tegen het alsnog genomen besluit is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is vastgesteld op 10 september 2022. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en de ingangsdatum vast te stellen op 15 juni 2022.
11. De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten die eiser heeft gemaakt voor het instellen van het beroep niet tijdig beslissen. Dit omdat de minister het besluit van 19 maart 2024 te laat heeft genomen en eiser terecht beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van dat besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar rechtsoverweging 2 tot en met 4. Omdat de rechtbank het beroep tegen het alsnog genomen besluit gegrond verklaart, veroordeelt zij de minister ook in de proceskosten die eiser in verband hiermee heeft gemaakt.
12. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroep niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5, 1 punt met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 1 voor het beroep tegen het alsnog genomen besluit en 1 punt met een waarde van € 934,- en wegingsfactor 1 voor het bijwonen van de zitting). De rechtbank ziet geen reden om wegingsfactor 0,25 toe te passen ten aanzien van het beroep tegen het alsnog genomen besluit, zoals de minister heeft verzocht. De rechtbank acht het geschilpunt over de ingangsdatum namelijk niet zeer licht van aard. Dit blijkt alleen al uit de omstandigheid dat hierover prejudiciële vragen zijn gesteld.
10 Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen bestreden besluit gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 10 september 2022;
  • stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vast op 15 juni 2022;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
15 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.