ECLI:NL:RBDHA:2026:16858

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
NL26.19981 en NL26.19982
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • J.G. Vegter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArtikel 17 DublinverordeningArtikel 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) Nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een asielzoeker tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, waarbij Kroatië als verantwoordelijke lidstaat is aangewezen en het verzoek tot terugname door Kroatië is aanvaard.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege mishandeling en traumatisering in Kroatië, onderbouwd met het AIDA-rapport update 2024. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van structurele tekortkomingen in Kroatië die een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro EU opleveren. De eerdere jurisprudentie en rapporten tonen geen wezenlijke verslechtering.

Verder stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege bijzondere, individuele omstandigheden. De rechtbank stelde dat verweerder zijn discretionaire bevoegdheid om artikel 17 toe Pro te passen in redelijkheid heeft uitgeoefend, mede omdat eiser zijn individuele omstandigheden niet met medische stukken heeft onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.19981 (beroep) en NL26.19982 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser],

geboren op [geboortedag] 2003 en van Jordaanse nationaliteit
eiser/verzoeker (hierna: eiser)
Alias
[naam],
geboren op [geboortedag] 2003 en van Syrische nationaliteit
(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 8 april 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Lafti als tolk in de Arabische (Palestijns-Jordaans) taal en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Bespreking van de beroepsgronden
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser heeft aangevoerd dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is bij zijn aanhouding en in detentie in Kroatië mishandeld en is daardoor getraumatiseerd. Het gaat hier niet om mishandelingen tijdens pushbacks, maar puur om de wijze van behandeling van asielzoekers die de Kroatische autoriteiten door deze mishandelingen proberen te ontmoedigen om hun asielprocedure in Kroatië voort te zetten. Verwezen wordt naar het AIDA [3] -rapport update 2024. Verweerder miskent in het betreden besluit dat door de slechte opvangvoorzieningen, slechte behandeling, het hoge niveau van politiegeweld, en de pushbacks asielzoekers Kroatië zo snel mogelijk verlaten en doorreizen. Door eiser en andere asielzoekers te mishandelen is dat doel bereikt. Het zorgde er immers voor dat eiser door die ervaring na zijn vrijlating Kroatië meteen heeft verlaten. Er kan van hem onmogelijk worden verwacht dat hij zich nog zou melden bij een opvanglocatie met ontoereikende voorzieningen. Eiser stelt voorts dat uit het AIDA-rapport update 2024 volgt dat er klachten zijn over de hygiëne in opvangcentra en beperkte toegang tot gezondheidszorg.
5.1.
De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat verweerder ten aanzien van Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM [6] , het Vluchtelingenverdrag [7] en het Unierecht zullen behandelen. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet-nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [8] strijdige behandeling. Daarvan kan pas sprake zijn als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in Kroatië sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [10] onder meer het AIDA-rapport over Kroatië update 2023 betrokken. De Afdeling heeft overwogen dat er op een aantal momenten sprake was van overbezetting in de opvang, maar dat de Kroatische autoriteiten zich vervolgens actief hebben ingezet om te voorzien in de essentiële levensbehoeften en binnen enkele dagen alsnog in slaapplekken hebben voorzien. Hieruit blijkt niet dat Kroatië onverschillig staat tegenover incidentele tekorten in de opvang. Het door eiser aangehaalde AIDA-rapportupdate 2024, geeft in dat opzicht geen wezenlijk ander beeld dan het AIDA-rapport update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Eiser is er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat de omstandigheden die hij aanvoert in het AIDA-rapport update 2024, ten opzichte van update 2023 in relevante mate zijn gewijzigd. In het AIDA-rapport update 2024 wordt anders dan in de update van 2023 ten aanzien van Dublin-terugkeerders genoemd dat er meldingen zijn van politiegeweld door handhavers van andere landen tijdens overdrachten en het rapport geeft ten aanzien van Dublin-terugkeerders anders dan in de update van 2023 een zorgelijk beeld waar het gaat om (de medische overdracht van) personen met psychische problemen. Eiser heeft zijn stelling dat hij door mishandelingen in detentie is getraumatiseerd niet onderbouwd, zodat de rechtbank er niet van uitgaat dat eiser kamt met psychische gezondheidsproblemen waarvoor hij niet zal worden behandeld in Kroatië. Voorts is van belang dat de Kroatische overheid met het claimakkoord garandeert dat eiser als Dublin-terugkeerder zal worden behandeld overeenkomstig de Europese richtlijnen. In het geval de Kroatische autoriteiten zich niet aan de Europese richtlijnen houden, is het aan eiser om hierover aldaar te klagen. Niet is gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
6. Eiser heeft verder aangevoerd dat verweerder het niet toepassen van artikel 17 van Pro de Dublinverordening onvoldoende heeft gemotiveerd. Verweerder had de persoonlijke ervaringen van de mishandeling en behandeling in Kroatië moeten betrekken in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Uit het aangehaalde AIDA-rapport blijkt dat het hier niet om een éénmalige individuele gebeurtenis gaat maar dat vele asielzoekers dezelfde ervaringen delen. Bovendien is onbegrijpelijk dat verweerder meent dat eiser na meerdere overdrachten moet zijn mishandeld om een geslaagd beroep te kunnen doen op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, terwijl in zijn geval het ging om dagelijkse mishandelingen gedurende één week van alle gedetineerde asielzoekers en dit ook niet door verweerder wordt ontkend. Eiser is door de mishandelingen in Kroatië getraumatiseerd. Verweerder stelt dat Nederland erop mag vertrouwen dat de medische zorg in Kroatië hetzelfde is als in Nederland. Eiser meent dat dit niet volgt uit het AIDA-rapport nu daaruit blijkt dat klachten over de opvang voortduren bewoners van opvangcentra melden dat de hygiëne ontoereikend is en toegang tot medische zorg beperkt blijft.
6.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. Verweerder heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. In paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc [11] trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
6.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [12] volgt dat omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en in dat kader zijn beoordeeld, in beginsel niet (ook) van betekenis zijn voor de beoordeling of er zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen als bedoeld in paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Dat betekent echter niet dat omstandigheden die verband houden met eerdere ervaringen van een vreemdeling in een andere lidstaat, nooit relevant kunnen zijn voor de beoordeling of verweerder zijn discretionaire bevoegdheid uitoefent.
6.3.
De rechtbank stelt voorop dat het een keuze van verweerder is om terughoudend gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid. Verweerder heeft die keuze in redelijkheid kunnen maken. Op pagina zes van het bestreden besluit heeft verweerder de door eiser aangevoerde individuele omstandigheden kenbaar betrokken in de overweging ten aanzien van de onevenredige hardheid, die ook zijn betrokken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarbij heeft eiser zijn individuele omstandigheden niet onderbouwd met medische stukken of anderszins. De verwijzing naar het AIDA-rapport update 2024 in dit kader is hiertoe niet voldoende. Het AIDA-rapport ziet namelijk op de algemene situatie van asielzoekers in Kroatië. Verweerder had daarom in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om artikel 17 van Pro de Dublinverordening toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dus afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.19981:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.19982:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Asylum Information Database.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie de Afdelingsuitspraken van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037 en van 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919 en van 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
7.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
8.Handvest betreffende de grondrechten van de Europese Unie.
9.Zoals volgt uit het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019,C-163/17 (ECLI:EU:C:2019:218).
11.Vreemdelingencirculaire 2000.
12.Zie de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717).