ECLI:NL:RBDHA:2026:16614

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.15590
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Werkinstructie 2024/6Werkinstructie 2019/17
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op grond van ongeloofwaardige seksuele geaardheid en onvoldoende vrees voor mensenhandelaar

Eiser, afkomstig uit Gambia, diende op 30 september 2023 een asielaanvraag in nadat eerdere aanvragen niet ontvankelijk werden verklaard vanwege de Dublinprocedure. Hij voert aan dat hij vanwege zijn homoseksualiteit in Gambia gevaar loopt en vreest ook voor een mensenhandelaar die hem heeft geholpen bij zijn vlucht.

De minister van Asiel en Migratie acht de identiteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar twijfelt aan de geloofwaardigheid van zijn seksuele geaardheid. De rechtbank stelt vast dat de minister het referentiekader van eiser, waaronder zijn beperkte scholing en culturele achtergrond, voldoende heeft betrokken bij de beoordeling. Het nader gehoor duurde één dag en was volgens de rechtbank zorgvuldig.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende authentieke en gedetailleerde verklaringen heeft gegeven over zijn gevoelens en ervaringen met zijn geaardheid, ondanks zijn langdurig verblijf in Nederland en deelname aan LHBTI-evenementen. Ook acht de rechtbank de vrees voor de mensenhandelaar niet aannemelijk, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat deze nog naar eiser zoekt.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser geen verblijfsvergunning krijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15590

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. R. Balkenende),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Kamphuis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers asielaanvraag. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 30 juli 2019 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag.
2.1.
Eiser is hiertegen in beroep gegaan. Het beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. Namens de minister is hoger beroep ingesteld. De Afdeling [1] heeft de behandeling van de zaak een tijd aangehouden, omdat er vragen voorlagen waar in andere zaken uitspraak over gedaan zou worden. Het hoger beroep is uiteindelijk door de minister ingetrokken en de Dublinprocedure is door de minister afgesloten.
2.2.
Op 9 juni 2023 is aan eiser bericht dat de overdrachtstermijn is verstreken en dat eiser nogmaals een asielaanvraag kan doen.
2.3.
Op 30 september 2023 heeft eiser nogmaals een asielaanvraag gedaan. Op
19 februari 2026 heeft een nader gehoor plaatsgevonden.
2.4.
De minister heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2026 de aanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser valt zowel op mannen als op vrouwen. Dit is in Gambia niet toegestaan. Hij heeft in Gambia aan een goede vriend verteld dat hij ook op mannen viel. Deze vriend heeft dit doorverteld, daarna wilde verschillende dorpsbewoners hem om zijn geaardheid vermoorden. In heel Gambia is homoseksualiteit niet toegestaan. Eiser kan dan ook niet om bescherming vragen, iedereen is tegen homoseksualiteit. Daarnaast heeft eiser bij zijn vlucht hulp gehad van een man, een mensenhandelaar. Hij is de mensenhandelaar nog geld verschuldigd. Deze man is ook Gambiaans, eiser vreest dan ook voor hem als hij zou terugkeren naar Gambia.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst en
2. Seksuele gerichtheid.
4.1.
De identiteit, nationaliteit en herkomst vindt de minister geloofwaardig, maar de seksuele gerichtheid niet. De identiteit, nationaliteit en herkomst maken niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
5. Eiser meent dat er onvoldoende rekening is gehouden met zijn referentiekader. Hij is immers opgegroeid in een land waar het algemeen gedachtegoed is dat homoseksuelen gedood moeten worden. Eiser heeft dan ook niet geleerd om zich over zijn gevoelens voor mannen te uiten. De enige keer dat hij dit in Gambia deed, liep het verkeerd af. Hier is onvoldoende rekening mee gehouden. Hij verwijst daartoe naar een uitspraak van de Afdeling.
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verricht, waarbij hij rekening moet houden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. [2] Dat blijkt ook uit de Werkinstructie 2024/6 [3] en de Werkinstructie 2019/17. [4] In deze laatste werkinstructie staat dat de minister bij het gehoor en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid rekening moet houden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals het opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur, en de afkomst.
5.2.
De minister stelt dat in de besluitvorming het referentiekader van eiser is benoemd. In het bestreden besluit en op zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij kenbaar en voldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser, zoals zijn leeftijd, opleidingsniveau, cultuur en afkomst.
5.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister eisers referentiekader heeft opgenomen in het voornemen. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat uit eisers referentiekader weliswaar blijkt dat hij enkel drie jaar naar de basisschool is geweest en dat niet wordt verwacht dat hij uitgebreid en gedetailleerd kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten, maar dat dit geen verschoonbare reden is waarom eiser niet meer inzicht zou kunnen geven in zijn persoonlijke gedachten en gevoelens over de ontdekking en ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid. De rechtbank stelt verder vast dat de minister op verschillende pagina’s in de besluitvorming uiteengezet heeft waarom er, gelet op het referentiekader van eiser, desondanks meer van hem mag worden verwacht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat het referentiekader niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken. Eisers verwijzing naar een uitspraak [5] van de Afdeling maakt dit niet anders, nu in die zaak alleen het opleidingsniveau van eiseres was benoemd en de rechtbank daar niet had onderkend dat eiseres haar land van herkomst niet had verlaten vanwege haar geaardheid. Door eiser is niet nader onderbouwd waarom het opgenomen referentiekader niet zou kloppen dan wel op welke punten eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren als gevolg van het referentiekader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser.
Heeft de minister onzorgvuldig onderzoek gedaan?
6. Verder stelt eiser dat de minister geen zorgvuldig onderzoek heeft gedaan. Het nader gehoor duurde, pauzes en vertaling door de tolk niet meegerekend, slechts 2 uur en 15 minuten. Er stonden vier dagen voor gepland, twee dagen is gebruikelijk. Eiser heeft voorbeeldvragen aangedragen die gesteld hadden kunnen worden. Deze vragen heeft hij niet beantwoord. Het is niet aan eiser om dit als aanvullingen in de zienswijze aan te dragen, het is aan de minister om de tijd te nemen en zorgvuldig door te vragen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat het nader gehoor heeft geduurd van 9.37 uur tot 17.00 uur. Daarbij is een kort gehoor naar het oordeel van de rechtbank niet per definitie een onzorgvuldig gehoor. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat op verschillende relevante onderwerpen is doorgevraagd. Ook is aan eiser de ruimte geboden om zelf punten toe te voegen. De antwoorden van eiser bleven kort en hij benoemt dat hij niets wil toevoegen. Ter zitting is toegelicht dat zodra blijkt dat er op onderwerpen onvoldoende is doorgevraagd of onderwerpen onbesproken zijn gebleven een vreemdeling daarover nader wordt gehoord. In dit geval is hiervan tot op heden niet gebleken. De rechtbank volgt de minister. Het benoemen van vragen die ook gesteld hadden kunnen worden tijdens het nader gehoor maakt niet dat er onvoldoende vragen zijn gesteld. Er is niet gebleken dat er onderwerpen onbesproken zijn gebleven die relevant waren voor eisers asielrelaas. Ook is niet gebleken van onjuistheden of onjuiste interpretaties. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een onzorgvuldig onderzoek doordat het nader gehoor één dag heeft geduurd.
Heeft de minister de verklaring over eisers seksuele geaardheid ongeloofwaardig kunnen vinden?
7. Het wordt eiser verweten dat hij geen inkijk/inzicht heeft verschaft over verschillende onderwerpen. Het gaat onder andere over de redenen van het informeren van een vriend in Gambia over zijn geaardheid en over hoe hij op verschillende momenten met zijn gevoelens om ging. Eiser meent dat hij, gelet op zijn referentiekader, wel degelijk voldoende heeft verklaard. Bij onduidelijkheden had doorgevraagd moeten worden.
Ook het feit dat eiser zijn geaardheid niet als asielmotief heeft genoemd in Italië, wordt hem tegengeworpen. Eiser heeft echter tijd nodig gehad om zich vertrouwd te voelen om echt uit ‘de kast’ te komen. De omgeving waar eiser in Italië asiel heeft aangevraagd gaf dat vertrouwen niet. Ook in Nederland heeft eiser nog tijd nodig gehad om over zijn geaardheid te kunnen spreken. Dat hij naar LHBTI-evenementen gaat is een hele overwinning. De verklaring van Open Minded LGBTQ+ en de foto’s van eiser op genoemde evenementen moeten dan ook meer gewicht hebben dan de minister hier aan toekent. Eiser moest een flinke drempel over om openlijk deel te nemen aan dergelijke bijeenkomsten.
7.1.
Uit jurisprudentie van de Afdeling [6] volgt dat in LHBTI-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal van de vreemdeling. Het is aan eiser om middels zijn verklaringen zijn persoonlijke verhaal naar voren te brengen. De rechtbank volgt de minister in diens standpunt dat eiser hierin onvoldoende is geslaagd. De minister heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen summier en vaag van aard zijn. Op de vraag hoe eiser zich voelde over het feit dat hij zijn geaardheid verborgen moest houden in Gambia, heeft hij verklaard dat het hem verdrietig maakt. Bij doorvragen zegt eiser, dat hij zichzelf moet afsluiten en niet blij is. [7] Op de vraag hoe anders dit is in Nederland zegt eiser, ik ben niet verdrietig, ik ben blij. [8] De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser geen authentieke verklaringen heeft gegeven waaruit blijkt hoe hij deze gevoelens heeft ervaren, hoe hij hiermee is omgegaan of door concrete voorbeelden te geven. Eiser heeft zijn (gestelde) seksuele geaardheid zijn hele leven verborgen moeten houden. Van hem mag daarom worden verwacht dat hij (meer) inzicht kan geven in zijn gedachten en gevoelens hierover. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser het proces van ontdekken van zijn homoseksualiteit onvoldoende duidelijk heeft weten te schetsen. Dit zeker gelet op het feit dat eiser nu al bijna zeven jaren in Nederland verblijft en nu wel zo ver is dat hij openlijk homoseksueel durft te zijn en naar openbare bijeenkomsten gaat. Er mag verwacht worden dat eiser tot op zekere hoogte over zijn gevoelens kan spreken die hij bij deze ontwikkeling voelde. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister hoefde in de documenten geen aanleiding te zien om tot een ander oordeel over de geloofwaardigheid van eisers gestelde seksuele gerichtheid te komen. Uit uitspraken [9] van de Afdeling volgt dat verklaringen van derden en foto’s kunnen dienen als ondersteunend bewijs en een ontoereikende verklaring van een vreemdeling op één van de in WI 2019/17 genoemde thema’s kunnen compenseren. Dat is in het bijzonder het geval als het gaat om informatie van feitelijke aard of verklaringen van objectieve derden over feitelijk gedrag. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen voldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaring van Open Minded LGBTQ+ Amsterdam en de overgelegde foto’s geen aanvullende inzichten geven en onvoldoende zijn om eisers ontoereikende verklaringen te compenseren.
Heeft de minister de vrees voor de mensenhandelaar onvoldoende betrokken?
8. Tot slot meent eiser dat er onvoldoende is ingegaan op de vrees van eiser voor de mensenhandelaar. Eiser heeft toegelicht dat de mensenhandelaar zijn adres in Gambia weet. Wanneer hij zou terugkeren zal de mensenhandelaar hem dan ook makkelijk kunnen vinden.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser het slachtoffer is geworden van een mensenhandelaar. Wat partijen verdeeld houdt is of eiser nu nog te vrezen heeft voor deze mensenhandelaar. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft kunnen vinden dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mensenhandelaar nog naar hem op zoek is. De minister heeft bij zijn oordeel kunnen betrekken dat de mensenhandelaar eiser in Italië niets heeft gedaan. Ook is eiser nu al bijna zeven jaar in Nederland en in die tijd heeft hij niets van de mensenhandelaar vernomen. Er zijn geen concrete indicaties dat de mensenhandelaar eiser in Gambia zal gaan zoeken. Eiser benoemt enkel dat hij te vinden zal zijn omdat de mensenhandelaar een Gambiaan is en dat Gambia maar een klein land is. Daarbij is eisers adres bij hem bekend. Eiser heeft de mensenhandelaar echter in Libië ontmoet, niet is gebleken dat de mensenhandelaar in Gambia woont. Ook is er geen reden om aan te nemen dat hij nog op zoek is naar eiser of op de hoogte zal geraken van de terugkeer van eiser.

Conclusie en gevolgen

9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.Zie o.a. de uitspraken van de Afdeling, van 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622 en 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.
3.Werkinstructie 2024/6: Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel), p. 7.
4.Werkinstructie 2019/17: Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd hoofdstuk 3.
5.Uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.
7.Pagina 10 nader gehoor.
8.Pagina 17 nader gehoor.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977 en 22 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1193.