ECLI:NL:RBDHA:2026:16571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.11794
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.G. Noordhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 18, eerste lid, onder b, DublinverordeningArt. 24, vierde lid Eurodac-verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 behandeld en beoordeelt of het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden weerlegd. Eiser stelde dat Spanje tekortschiet in de opvang en behandeling van asielzoekers, onder meer vanwege een uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof, een lopende inbreukprocedure van de Europese Commissie en rapporten over de situatie van asielzoekers in Spanje.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Spanje zijn internationale verplichtingen schendt. De aangevoerde omstandigheden, waaronder het risico op inhumane opvang en problemen voor niet-Spaanstalige asielzoekers, zijn niet voldoende onderbouwd of niet vergelijkbaar met de situatie van eiser.

Ook het beroep op de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening om de aanvraag aan zich te trekken, faalt omdat eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft gesteld die een onevenredige hardheid opleveren.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11794

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 maart 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om terugname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat de minister voor Spanje niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij wijst op een uitspraak van het Spaanse hooggerechtshof uit 2018 waarin dat hof zou oordelen dat Dublinclaimanten geen opvang hebben. Ook wijst hij op de inbreukprocedure in verband met de implementatie van de Opvangrichlijn die de Europese Commissie op 26 januari 2023 tegen Spanje is gestart. [2] Spanje heeft drie jaar later nog steeds geen inspanningen verricht om aan de zorgen tegemoet te komen. Uit het mensenrechtenrapport 2024 over Spanje van het US Department of State [3] volgt dat asielzoekers die geen Spaans spreken, zoals eiser, moeilijkheden ondervinden om tijdig een afspraak te maken voor hun asielprocedure en zo het risico lopen in een status zoals ongedocumenteerden te geraken met het risico op deportatie, zonder recht op werk of sociale voorzieningen. Met verwijzing naar een nieuwsbericht over de situatie begin 2024 voor asielzoekers op het vliegveld van Madrid [4] , betoogt eiser dat hij na overdracht hoogstwaarschijnlijk eerst in een gesloten opvangfaciliteit komt te zitten, waarbij de omstandigheden inhumaan zijn. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in haar uitspraken over het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Spanje de situatie van gesloten opvangfaciliteiten niet betrokken. Omdat eiser in zijn besluit naar deze jurisprudentie verwijst, is op dat punt sprake van een motiveringsgebrek.
5.1.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Ook mag de minister een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat waardoor de vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. [5] Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [6] Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling heeft nog op 25 november 2025 geoordeeld dat de minister voor Dublinclaimanten naar Spanje in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [7] In deze uitspraak is het AIDA-rapport update 2024 dat in april 2025 is verschenen, betrokken. Het AIDA-rapport update 2025 dat in april 2026 is verschenen en het bij de zienswijze door eiser overgelegde artikel van UNHCR, [8] geven volgens de rechtbank geen wezenlijk ander of slechter beeld van de asiel- en opvangsituatie voor Dublinclaimanten ten opzichte van het AIDA-rapport update 2024. De minister mocht er daarom van uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen naleeft. Eiser heeft ook niet met algemene of persoonlijke gegevens aannemelijk gemaakt dat Spanje de internationale verplichtingen schendt, zodat eiser er niet in slaagt het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen. Dit licht de rechtbank hierna toe. Het starten van de inbreukprocedure is op zichzelf onvoldoende om aannemelijk te maken dat Spanje structurele tekortkomingen heeft in de opvangvoorzieningen. Dit is in lijn met uitspraken van de Afdeling. [9] Uit de door eiser geciteerde formele aanzegging [10] (‘formal notice’) volgt ook dat de Europese Commissie de Spaanse autoriteiten twee maanden heeft gegeven om nadere informatie te verschaffen, waarna eventueel verdere stappen zouden volgen. Eiser heeft niet onderbouwd dat de Commissie aanleiding heeft gezien die verdere stappen te zetten en dat volgt ook niet uit de overgelegde algemene bronnen. Wat betreft de geconstateerde problemen van niet-Spaans sprekende asielzoekers om een afspraak te maken om een asielaanvraag te doen, oordeelt de rechtbank dat Spanje met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat eiser in lijn met internationale afspraken wordt behandeld. Op de zitting is in dit verband gesproken over de vraag of eiser eerder problemen heeft ondervonden met het kunnen indienen van zijn aanvraag. De rechtbank merkt op dat uit het feit dat sprake is van terugname op grond van artikel 18, eerste lid, onder b, van de Dublinverordening, en uit het feit dat eisers Eurodac-referentienummer in Spanje met een ‘1’ begint, [11] volgt dat hij in Spanje een asielaanvraag heeft ingediend, zodat het voor hem dus niet onmogelijk was. Eisers situatie en de gevolgen van die situatie zijn dan ook niet vergelijkbaar met die beschreven in dat rapport. De minister heeft ter zitting terecht opgemerkt dat het door eiser overgelegd nieuwsbericht over de situatie op het vliegveld van Madrid, asielzoekers betreft die een asielverzoek doen bij hun overstap (‘overlay’) op het Spaanse vliegveld. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat deze situatie niet vergelijkbaar is met de situatie van eiser, die als Dublinclaimant naar Spanje terugkeert. Daarbij stelt de minister zich ook hier terecht op het standpunt dat Spanje met het Dublinclaimakkoord heeft gegarandeerd dat het eiser zal behandelen in lijn met internationale afspraken. Deze afspraken omvatten steeds het bieden van de mogelijkheid om te klagen bij autoriteiten en toegang tot een effectief rechtsmiddel. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het bestaan van deze mogelijkheden in Spanje.
Had de minister de asielaanvraag onverplicht aan zich moeten trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister gebruik had moeten maken van de discretionaire bevoegdheid om de aanvraag van eiser aan zich te trekken vanwege bijzondere, individuele omstandigheden.
6.1.
Deze bevoegdheid volgt uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Dit doet de minister indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. [12]
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling alleen gewezen op de omstandigheden die hij ook in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel naar voren heeft gebracht. Zoals de minister ook heeft overwogen, kan hij in dat geval, op grond van vaste rechtspraak, [13] volstaan met een verwijzing naar de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zonder deze omstandigheden opnieuw afzonderlijk te wegen. Eiser heeft ter zitting desgevraagd geen verdere bijzondere, individuele omstandigheden gesteld.
Indirect refoulement
7. Eiser heeft in het beroepsschrift opgemerkt dat hij risico loopt om vanuit Spanje te worden gedeporteerd naar Marokko. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat dit geen beroepsgrond inhoudt in verband met het risico op indirect refoulement [14] , maar door hem is opgemerkt voor de compleetheid. Dit punt behoeft daarom verder geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.INF (2022)2158 op [website 1].
3.[website 2].
4.[website 3].
5.HvJ 29 februari 2024 (arrest X), ECLI:EU:C:2024:195.
6.De Jawo-drempel: zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
7.ABRvS 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661 en ABRvS 3 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:381.
8.[website 4].
9.ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4183 en ABRvS 12 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:108.
10.INF (2022)2158, [website 1].
11.Zie artikelen 24, vierde lid en 9, eerste lid van de Eurodac-verordening, Verordening nr. 603/2013.
12.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, rechtsoverweging 7.3.
14.De rechtbank kan overigens volgens vaste jurisprudentie niet oordelen over het risico op refoulement in een andere lidstaat van de Dublinverordening. Zie: ABRvS 23 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.