Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16298

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.3980
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3 EVRMArt. 6 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens onevenredige hardheid bij overdracht aan Frankrijk

Eiseres, een Marokkaanse alleenstaande moeder met drie minderjarige kinderen, diende op 6 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening, omdat zij eerder een Schengenvisum van Frankrijk had. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling en wees op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het ontbreken van concrete risico's bij overdracht.

Eiseres voerde aan dat het claimverzoek onvolledig was, dat Frankrijk onvoldoende opvang biedt, en dat zij en haar kinderen kwetsbaar zijn vanwege huiselijk geweld en medische problemen. De rechtbank oordeelde dat het claimverzoek voldoende informatie bevatte en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet was weerlegd. Ook was onvoldoende aangetoond dat kwetsbare Dublinclaimanten een verhoogd risico lopen op schending van artikel 4 Handvest Pro.

Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder het beroep op bijzondere individuele omstandigheden en de belangen van de kinderen onvoldoende had meegewogen, waardoor sprake was van een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De medische situatie van eiseres en haar jongste kind was bovendien niet volledig betrokken bij het besluit. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van de belangen van eiseres en haar kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3980

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , [V-nummer] , eiseres,

mede ten behoeve van haar drie minderjarige kinderen
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL26.3981, op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar drie minderjarige kinderen, de gemachtigde van eiseres, B. El Manouzi als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiseres stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum 1] . Haar minderjarige kinderen zijn geboren op [geboortedatum 2] ( [naam 2] ), [geboortedatum 3] ( [naam 3] ) en [geboortedatum 4] ( [naam 4] ). Eiseres heeft haar asielaanvraag in Nederland op 6 oktober 2025 ingediend.
1.2.
Uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat Frankrijk aan eiseres een Schengenvisum heeft verleend met een geldigheidsduur van 25 augustus 2025 tot en met 25 november 2025. Het visum was dus geldig op het moment van de asielaanvraag in Nederland. Nederland heeft op 21 november 2025 de autoriteiten van Frankrijk verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit verzoek op 21 januari 2026 aanvaard op grond van artikel van 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) of een met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
Beroepsgronden
3. Eiseres voert aan dat de informatie in het aan Frankrijk gestuurde claimverzoek onvolledig is, omdat informatie over het huiselijk geweld door haar echtgenoot daarin ontbreekt. Dit maakt volgens eiseres dat zij op grond van het huidige claimakkoord niet kan worden overgedragen aan Frankrijk. Eiseres verwijst in dit verband naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Roermond van 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:17223.
Verder voert eiseres aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daartoe stelt zij, onder verwijzing naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024 van juni 2025, dat veel Dublinterugkeerders op straat moeten leven als gevolg van een gebrek aan opvangplekken. Eiseres meent dat zij als gevluchte, alleenstaande moeder van drie minderjarige kinderen als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt. In dit kader verwijst zij naar een uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 15 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19180. Door deze kwetsbaarheid is het risico dat zij als Dublinterugkeerder met haar kinderen op straat zal moeten leven, vergroot. Verweerder heeft ten onrechte geen individuele garanties aan Frankrijk gevraagd voor het verkrijgen van opvang en medische zorg na overdracht.
Eiseres beroept zich voorts op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K., ECLI:EU:C:2017:127. In dit kader wijst zij op haar eigen medische situatie en op de gezondheidstoestand van haar jongste kind. Volgens eiseres volgt uit de verstrekte medische documenten dat overdracht aan Frankrijk zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare verslechtering van hun beider gezondheidstoestand.
Eiseres doet tot slot een beroep op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Volgens eiseres is overdracht aan Frankrijk onevenredig hard omdat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Zij wijst daarbij op de belangen van haar kinderen en op de gezondheidssituatie van haar en haar jongste kind, en stelt dat haar echtgenoot haar heeft mishandeld en in Frankrijk seksueel heeft misbruikt. Zij vreest dat hij haar bij een terugkeer naar Frankrijk gemakkelijk zal kunnen traceren en haar kinderen van haar zal afpakken. Zij is ook bang voor haar leven. Ter onderbouwing van het huiselijk geweld heeft eiseres een verklaring overgelegd van haar werkster uit Marokko.
Beoordeling door de rechtbank
Claimverzoek
4.1.
In artikel 21, derde lid, van de Dublinverordening is bepaald dat het verzoek om overname met behulp van een standaardformulier wordt gedaan en wordt gestaafd met bewijsmiddelen of indirecte bewijzen zoals omschreven in de twee in artikel 22, lid 3, genoemde lijsten, en/of relevante elementen uit de verklaring van de verzoeker aan de hand waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen nagaan of deze lidstaat op grond van de criteria van deze verordening verantwoordelijk is.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat het overnameverzoek dat verweerder voor eiseres en haar kinderen heeft ingediend bij de Franse autoriteiten, bestaat uit bedoeld standaardformulier met bijgesloten het resultaat van de EU-Visbevraging. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het claimverzoek alle informatie vermeld die relevant is voor de Franse autoriteiten om te kunnen nagaan of Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. Zo is informatie verstrekt over de personalia van eiseres en haar kinderen, de datum waarop de asielaanvraag in Nederland is ingediend en de verklaring van eiseres over haar reisroute. Anders dan eiseres stelt, ziet de rechtbank niet in waarom informatie over het huiselijk geweld door de echtgenoot van eiseres voor Frankrijk nodig is om te kunnen nagaan of aan de verantwoordelijkheidscriteria van de Dublinverordening wordt voldaan. Eiseres stelt dat Frankrijk aan de hand van deze informatie zou kunnen beoordelen of er individuele garanties bij de overdracht moeten worden gegeven. De vraag of garanties moeten worden geboden, speelt echter geen rol bij de vaststelling van de verantwoordelijkheid van een lidstaat. De vergelijking met de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 23 oktober 2024 volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft op de zitting afdoende duidelijk gemaakt dat de feitelijke situatie van de vreemdeling in die zaak aanmerkelijk verschilt van de situatie van eiseres en haar kinderen. Zo had de vreemdeling in die zaak een minderjarige broer die in Nederland was toegelaten tot de nationale asielprocedure. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5.1.
Bij de toepassing van de Dublinverordening is het uitgangspunt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623), volgt dat verweerder ten aanzien van Frankrijk nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
5.2.
Het vorenstaande betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat eiseres bij overdracht aan Frankrijk geen risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Dit kan eiseres doen door landeninformatie over te leggen en/of aan de hand van verklaringen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending op van artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in haar bewijslast geslaagd. In het AIDA-rapport, update 2024, van juni 2025, leest de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat ten aanzien van Frankrijk niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hoewel uit dit rapport zorgen naar voren komen over de opvangsituatie in Frankrijk voor asielzoekers, heeft de Afdeling in de genoemde uitspraak van 31 juli 2025 geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie van Dublinterugkeerders dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, heeft betrokken. Als eiseres en haar minderjarige kinderen toch problemen ervaren in het kader van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, dan ligt het op de weg van eiseres om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiseres niet mogelijk zal zijn.
Eiseres heeft ook niet met haar eigen verklaringen aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Frankrijk niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zij heeft in Frankrijk geen asiel aangevraagd en dus geen persoonlijke ervaringen met het Franse asiel- en opvangsysteem. Ook is zij niet eerder als Dublinclaimant overgedragen, zodat zij ook op dat vlak geen eigen ervaringen heeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Individuele garanties
6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt en dat verweerder daarom individuele garanties aan Frankrijk dient te vragen waar het gaat om het verkrijgen van opvang en medische zorg na overdracht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hoewel de rechtbank op basis van de verstrekte medische gegevens over eiseres en haar jongste kind, in combinatie ook met de omstandigheid dat eiseres een alleenstaande moeder van drie jonge kinderen is, aanneemt dat eiseres kwetsbaar is, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij om die reden in het geheel niet zelfredzaam is of (nagenoeg) volledig hulpbehoevend en niet in staat is om hulp in te schakelen van de autoriteiten mocht dat nodig zijn. Eiseres heeft ook geen concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt waaruit blijkt dat kwetsbare Dublinclaimanten in het algemeen en zij in het bijzonder bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico lopen om in een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Uit het AIDA-rapport waarnaar eiseres heeft verwezen volgt niet dat kwetsbare Dublinclaimanten een verhoogd risico lopen om van opvang verstoken te blijven. Integendeel, uit dit rapport volgt dat kwetsbare asielzoekers juist prioriteit krijgen in de opvang. Daarnaast is het zo dat er voorafgaand aan een overdracht een uitwisseling van medische gegevens van eiseres en haar kinderen kan plaatsvinden tussen Nederland en Frankrijk, waarmee de autoriteiten van Frankrijk voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften worden geïnformeerd zodat zij daar bij aankomst van eiseres en haar kinderen in Frankrijk rekening mee kunnen houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Arrest C.K.
7.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van de gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Eiseres heeft medische informatie overgelegd over de gezondheidstoestand van haarzelf en van haar jongste kind. Uit deze gegevens volgt dat eiseres kampt met psychische klachten (PTSS) waarvoor zij onder behandeling staat van een GZ-psycholoog, en dat het jongste kind van eiseres vanwege hartklachten is doorverwezen naar een kindercardioloog. Er is echter geen inschatting gemaakt door een medisch behandelaar van de gevolgen van een overdracht aan Frankrijk voor de gezondheidstoestand van eiseres en/of haar jongste kind. De opmerking in de brief van de GZ-psycholoog ‘cliënte geeft aan liever te overlijden dan terug te moeten keren naar de oude situatie, wat duidt op ernstige wanhoop en mogelijke suïcidale cognities zonder dat een concreet plan is benoemd (passieve doodswens),’ betreft niet een eigen inschatting van de behandelaar van het risico op suïcide, nog daargelaten dat niet is gebleken van een als reëel of hoog ingeschat risico op suïcide. Het voorgaande betekent dat verweerder geen nader onderzoek hoefde te doen en dus geen advies van het Bureau Medische Advisering hoefde te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Discretionaire bevoegdheid
8.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdacht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
8.2.
Eiseres heeft ter staving van haar beroepsgrond gewezen op het huiselijk geweld door haar echtgenoot, dat plaatsvond in Marokko, en gesteld dat zij, na seksueel door haar man te zijn misbruikt in Frankrijk, kans heeft gezien om met haar kinderen van hem weg te vluchten naar Nederland. Zij heeft gesteld dat zij grote vrees heeft dat hij haar en de kinderen in Frankrijk eenvoudig op zal kunnen sporen en haar kinderen daar van haar zal afnemen. Deze vrees heeft zij geconcretiseerd door te wijzen op de functie van haar echtgenoot bij de Marokkaanse politie, zijn sterke connecties met de Franse politie en zijn uitgebreide netwerk van familieleden in Frankrijk. Vanwege zijn connecties verwacht eiseres dat hij gemakkelijk een visum voor Frankrijk zal kunnen krijgen, wat de kans dat hij haar en de kinderen zal kunnen traceren, nog verder vergroot. Daarnaast heeft eiseres aandacht gevraagd voor haar eigen medische situatie en de gezondheidssituatie van haar jongste kind. In de zienswijze heeft eiseres uitdrukkelijk een beroep gedaan op de aanwezigheid van bijzondere individuele omstandigheden die volgens haar maken dat overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. Daarbij heeft zij er ook op gewezen dat de belangen van de kinderen meegewogen moeten worden. Gesteld is dat het jongste kind getuige is geweest van het huiselijk geweld en dat het kind kampt met hartkloppingen en angstklachten en last heeft van bedplassen.
8.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van de verklaring over het huiselijk geweld en de vrees voor de echtgenoot van eiseres gewezen op het EVRM, waar Frankrijk ook partij bij is, en overwogen dat eiseres bij problemen de Franse autoriteiten om bescherming kan vragen. Ten aanzien van de medische situatie van de gezinsleden is in het besluit overwogen dat niet is gebleken dat eiseres en haar jongste kind onder medische behandeling staan en dat voor zover medische zorg nodig is, er vanuit kan worden gegaan dat deze ook in Frankrijk verleend kan worden.
Hoewel verweerder dus op verschillende door eiseres naar voren gebrachte aspecten is ingegaan, is in het bestreden besluit niet een expliciete beoordeling verricht van de vraag of overdracht van het gezin aan Frankrijk onevenredig hard is, waarbij alle door eiseres naar voren gebrachte omstandigheden in onderlinge samenhang zijn meegewogen. Dat had verweerder wel moeten doen. Daar komt bij dat in het besluit ook niet kenbaar de belangen van (in ieder geval) de twee oudste kinderen zijn betrokken, wat verweerder ter zitting ook heeft erkend. Dit terwijl in artikel 6 van Pro de Dublinverordening is bepaald dat de lidstaten bij alle procedures waarin deze verordening voorziet het belang van het kind voorop stellen, en dat de lidstaten, om vast te stellen wat het belang van het kind is, in het bijzonder rekening houden met het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige. Uit het besluit blijkt niet dat verweerder zich hiervan rekenschap heeft gegeven in dit geval. Verder is in beroep gebleken dat eiseres wel medisch wordt behandeld voor haar psychische problemen en dat haar jongste kind binnenkort een afspraak heeft bij de kindercardioloog vanwege haar hartklachten. Deze informatie was ten tijde van het bestreden besluit nog niet bekend bij verweerder en kon dus niet meegewogen worden, maar de informatie is wel relevant en moet alsnog in de beoordeling worden betrokken. Gelet op het voorgaande kent het besluit een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, omdat het in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank zal verweerder opdragen opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit,
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.S. Wessels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.