ECLI:NL:RBDHA:2026:16207

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL25.54538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EVRMArt. 3.51 VbArt. 3.24aa VVparagraaf B9/12 Vc
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling intrekking verblijfsvergunning tijdelijk humanitair en afwijzing wijzigingsverzoek niet-tijdelijk humanitair

Eiser, een statushouder uit Nigeria met een verblijfsvergunning tijdelijk humanitair, maakte bezwaar tegen de intrekking van zijn vergunning en het afwijzen van zijn verzoek om wijziging naar niet-tijdelijk humanitair. De minister had de vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat het strafrechtelijk onderzoek naar zijn aangifte mensenhandel in Italië was beëindigd en hij niet meer voldeed aan de voorwaarden.

De rechtbank oordeelt dat de minister zorgvuldig heeft gehandeld, onder meer door het niet betrekken van een onvertaald Italiaans artikel dat eiser in bezwaar aanvoerde. Het risico op represailles bij terugkeer naar Italië is volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. De minister mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat de Italiaanse autoriteiten eiser bescherming bieden.

Verder is geoordeeld dat de minister terecht heeft getoetst aan artikel 3 en Pro 4 EVRM en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer naar Italië een schending van deze artikelen oplevert. Ook is het horen van eiser in de bezwaarfase niet vereist geacht omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning tijdelijk humanitair en de afwijzing van het wijzigingsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54538

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de reguliere verblijfsvergunning van eiser en de afwijzing van het verzoek om de beperking hiervan te wijzigen naar ‘niet-tijdelijk humanitair.’ Eiser is het niet eens met de afwijzing en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft met het primaire besluit van 7 maart 2025 de reguliere verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken per 1 augustus 2024. Ook is het verzoek van eiser om de beperking te wijzigen naar ‘niet-tijdelijk humanitair’ afgewezen. Daarnaast is aan eiser aangezegd dat hij zich binnen vier weken naar Italië dient te begeven. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij het besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. Eiser heeft in Italië een asielstatus voor onbepaalde tijd. Zijn asielaanvraag in Nederland is daarom bij besluit van 25 september 2023 niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit staat in rechte vast na de uitspraak van 12 februari 2024 van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch. [2]
3.1.
Eiser heeft op 22 juli 2024 in Nederland aangifte gedaan van mensenhandel. De minister heeft aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijk humanitaire gronden’ verleend van 24 juli 2024 tot 24 juli 2025. Op
1 augustus 2024 heeft het OM [3] besloten geen vervolging in te stellen naar aanleiding van de aangifte van eiser omdat Nederland geen rechtsmacht heeft. Reden hiervoor is dat de gestelde strafbare feiten zijn gepleegd in Italië.
3.2.
Op 5 augustus 2024 heeft de minister het voornemen uitgebracht om eisers verblijfsvergunning in te trekken, omdat het strafrechtelijk onderzoek is geëindigd en hij daarom niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Eiser heeft met een zienswijze gereageerd op dit voornemen en heeft de minister verzocht de beperking ‘tijdelijk humanitair’ te wijzigen in de beperking ‘niet-tijdelijk humanitair.’ Nadien heeft eiser dit verzoek op 10 februari 2025 nader toegelicht en stukken ter onderbouwing overgelegd.
3.3.
Met het primaire besluit heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht ingetrokken tot 1 augustus 2024, omdat op dat moment niet meer werd voldaan aan de beperking waaronder deze vergunning was verleend. Ook is het wijzigingsverzoek van eiser afgewezen. De minister acht geloofwaardig dat eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel op de wijze zoals hij heeft verklaard, maar volgens de minister is niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer een risico loopt op represailles. Dit volgt volgens de minister niet uit het mensenhandelrelaas van eiser. Ook gaat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit dat de Italiaanse autoriteiten eiser bescherming bieden. Volgens de minister is niet gebleken dat zij eiser niet kunnen of zouden willen beschermen indien dat nodig is. Met het bestreden besluit is de minister bij zijn primaire besluit gebleven.
Zorgvuldigheid
4. Eiser stelt als eerste dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door alleen vast te stellen dat de in bezwaar genoemde link ‘dirittivivi_21marzo2021_definitivo.pdf’ niet werkt. De minister had het bestand op kunnen vragen en had het inhoudelijk moeten betrekken, omdat in bezwaar is toegelicht waar de informatie op ziet. Eiser heeft het Italiaanse artikel in beroep vlak voor de zitting alsnog overgelegd.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het gaat om een Italiaans artikel, waarvan geen vertaling is overgelegd.
De minister heeft het alleen al om die reden niet in de besluitvorming kunnen en hoeven betrekken. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank niet gebleken dat het artikel in bezwaar inhoudelijk is toegelicht. In bezwaar noemt eiser de link in het kader van een onderzoek door Stefano Becucci van 2022. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit inhoudelijk is ingegaan op dit onderzoek. Nu eiser met betrekking tot het pdf-bestand slechts heeft verwezen naar ‘een Italiaans rapport’, zonder daarbij te duiden op welke wijze dit rapport van belang zou zijn, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien dit rapport bij eiser op te vragen. Het in beroep overleggen van het onvertaalde Italiaanse artikel leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Het risico op represailles
5. Eiser voert daarnaast aan dat hij een risico loopt op represailles, zoals bedoeld in paragraaf B9/12 van de Vc. [4] Met de schietpartij heeft dit risico zich immers al verwezenlijkt. Hieruit blijkt dat het aannemelijk is dat dit risico zich bij terugkeer opnieuw zal voordoen. De minister heeft volgens eiser ten onrechte overwogen dat de op eiser gepleegde aanslagen niet zijn gerelateerd aan de mensenhandel waar hij slachtoffer van is geworden. De minister heeft immers aangegeven dat aannemelijk is dat eiser slachtoffer is geworden van mensenhandel op de wijze zoals eiser heeft verklaard. Dat de aanslag specifiek op eiser was gericht en Shedrack (en diens bende) hier verantwoordelijk voor waren, volgt uit de door de minister aannemelijk geachte verklaringen van eiser. Hetzelfde geldt voor de verklaring van eiser dat Shedrack onderdeel is van een mensenhandelbende die nauw samenwerkt met de Italiaanse maffia. Dit wordt ondersteund door de overgelegde rapportages, waaruit volgt dat er een sterke verwevenheid is tussen Nigeriaanse bendes en de Italiaanse maffia. Deze criminele organisaties hebben een enorm bereik en eiser is onvoldoende zelfredzaam om zich hiertegen te verzetten. Het is een bekend probleem dat statushouders in Italië aan hun lot worden overgelaten, en bij een gebrek aan een netwerk zal eiser weer in handen vallen van het criminele netwerk. Eiser verwijst in dat verband ook naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 3 april 2024. [5] Verder is in beroep landeninformatie overgelegd, samengesteld door het Rode Kruis op 4 juni 2026. Op de zitting is gewezen specifiek gewezen op pagina 25 en verder.
5.1.
De rechtbank overweegt dat de verblijfsvergunning zoals bedoeld in paragraaf B9/12 van de Vc kan worden verleend wanneer de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, van hem niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat. [6] Van de vreemdeling wordt in dat kader verwacht dat hij zijn aanvraag onderbouwt met stukken en dat hij geloofwaardige en verifieerbare verklaringen aflegt. Ook wordt van hem verwacht dat hij gedetailleerd en concreet verklaart. [7] Het is aan de minister om te beoordelen of de vreemdeling erin is geslaagd aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geweest van mensenhandel én, als dat het geval is, of er bij terugkeer sprake is van represailles, vervolging of het ontbreken van mogelijkheden tot herintegratie. De minister heeft hier een discretionaire bevoegdheid. De rechtbank toetst dit terughoudend.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de mensenhandel en op grond waarvan niet van eiser gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat en terugkeert naar Italië. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Italië te vrezen heeft voor represailles of vervolging. In dat verband heeft de minister kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eerder, in 2023, tegen hem gerichte moordaanslagen hebben plaatsgevonden, uitgevoerd in opdracht van Shedrack. Volgens eiser kan niemand anders dan Shedrack verantwoordelijk zijn voor de incidenten omdat hij als enige wist waar eiser zich op dat moment bevond. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat dit enkel gebaseerd is op speculaties en veronderstellingen van eiser. Hetzelfde geldt voor de stelling dat er een sterke verwevenheid bestaat tussen Nigeriaanse bendes en de Italiaanse maffia. Zoals eiser zelf aangeeft, is dit verband ten aanzien van Shedrack en zijn bende niet aangetoond. Uit de stelling dat dit de algemene situatie in Italië is, blijkt onvoldoende wat de mogelijke gevolgen hiervan zouden zijn voor eiser. Ook de stelling dat eiser onvoldoende zelfredzaam is om zich staande te houden in Italië is onvoldoende concreet en niet aannemelijk gemaakt. De minister wijst er niet ten onrechte op dat eiser geruime tijd in Italië heeft gewoond. De door eiser genoemde uitspraak van zittingsplaats Arnhem leidt niet tot een ander oordeel, nu die uitspraak ziet op een alleenstaande moeder. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door het Rode Kruis samengestelde landeninformatie, voor zover deze informatie ziet op Italië, niet op eiser van toepassing is nu aan hem al een status is verleend. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het oordeel van de asielrechter
6. Verder stelt eiser dat ten aanzien van Italië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Hij verwijst in dat kader naar de overgelegde algemene informatie, die ook ziet op de Mensenhandelrichtlijn [8] en de uitvoering daarvan. Uit deze informatie blijkt onder andere dat binnen het Italiaanse strafrecht geen bescherming wordt geboden aan slachtoffers van mensenhandel die zelf gedwongen zijn tot mensenhandel. Daarmee schendt Italië de Mensenhandelrichtlijn. Daarnaast verwijst eiser naar het USDOS Trafficking in Persons Report en het rapport van GRETA, beide van 2024. Uit deze rapporten blijkt volgens eiser dat er niet vanuit kan worden gegaan dat hij door de Italiaanse autoriteiten zal worden beschermd. De minister heeft verzuimd deze informatie bij het bestreden besluit te betrekken. De enkele verwijzing van de minister naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel is onvoldoende. Eiser stelt daarnaast dat hem niet kan worden verweten dat hij in Italië geen hulp heeft gezocht. Dit is het gevolg van zijn angst voor de bende van Shedrack en de Italiaanse maffia.
6.1.
Ook kan eiser zich niet vinden in het standpunt van de minister dat de rechter in de asielprocedure de angst van eiser voor Shedrack heeft meegewogen. Dit omdat de asielrechter niet beschikte over dezelfde feiten en daarnaast niet heeft geoordeeld op basis van het uitgangspunt dat eiser slachtoffer is van mensenhandel. Daarnaast waren de rapporten waar eiser met betrekking tot de opstelling van de Italiaanse autoriteiten naar verwijst, toen nog niet in beeld.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat uit recente uitspraken van de Afdeling [9] blijkt dat ten aanzien van Italië nog steeds uitgegaan mag worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit verder dat de minister de door eiser overgelegde stukken voldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de overgelegde stukken niet zien op de situatie van eiser. Eiser krijgt als statushouder immers al bescherming van de Italiaanse autoriteiten en daarnaast is de aangifte van eiser doorgestuurd naar de Italiaanse autoriteiten. Zodoende zijn zij op de hoogte van het slachtofferschap van eiser. De rechtbank volgt eiser ook niet in de stelling dat hij in Italië niet beschermd zal worden omdat hij is gedwongen misdrijven te plegen. De minister heeft in dat verband terecht gesteld dat eiser zijn straf voor drugshandel in Italië heeft uitgezeten en er niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem zoeken vanwege criminele activiteiten. Dat eiser zich zelf schuldig zou hebben gemaakt aan mensenhandel is de rechtbank niet gebleken. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat de minister de uitspraak in de asielprocedure heeft mogen betrekken in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In deze uitspraak is geoordeeld dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten niet aan hun verplichtingen voldoen of eiser niet zouden willen beschermen indien hij bescherming tegen Shedrack nodig heeft, omdat eiser heeft verklaard dat Shedrack door de Italiaanse autoriteiten is gearresteerd en gedetineerd. Ook in deze procedure heeft eiser verklaard dat Shedrack is gearresteerd. Gelet op het voorgaande, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn situatie niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië kan worden uitgegaan.
Artikel 3 en Pro 4 van het EVRM [10]
7. Eiser stelt verder dat de minister ten onrechte niet of niet volledig heeft getoetst aan artikel 3 van Pro het EVRM. Hij voert daartoe aan dat uit het arrest Ararat [11] volgt dat alle terugkeerbesluiten ambtshalve moeten worden getoetst op mogelijke schendingen van artikel 3 EVRM Pro. De minister miskent in dat verband dat er in Italië op eiser is geschoten, wat een duidelijke aanslag op zijn leven is. Ook is ten onrechte niet of niet volledig getoetst aan artikel 4 van Pro het EVRM. Dit artikel bevat het absolute verbod op slavernij en mensenhandel. Uit het absolute verbod moet worden afgeleid dat het ook verboden is een vreemdeling naar een land te sturen waarvan het aannemelijk is dat hij daar opnieuw slachtoffer zal worden van slavernij en/of mensenhandel.
7.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in dit verband niet ten onrechte verwezen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond van dit beginsel mag ervan worden uitgegaan dat Italië zijn verplichtingen op grond van onder meer het EVRM nakomt. De rechtbank volgt eiser daarom niet in de stelling dat de minister niet of onvolledig heeft beoordeeld of terugkeer naar Italië in strijd is met de artikelen 3 of 4 van het EVRM. De minister heeft daarbij terecht overwogen dat eiser geen hulp heeft gevraagd van de Italiaanse autoriteiten en dus geen beroep heeft gedaan op de Mensenhandelrichtlijn. Er kan daarom niet op voorhand worden gesteld dat de Italiaanse autoriteiten eiser niet kunnen of willen beschermen.
Dat hij dit niet heeft gedaan omdat hij te bang was, maakt dit niet anders. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat van eiser verwacht mag worden dat hij in staat is zijn rechten als statushouder te effectueren en zich indien nodig te beklagen bij de Italiaanse autoriteiten. De minister heeft op de zitting terecht opgemerkt dat mislukte pogingen om vanuit Nederland telefonisch in contact te komen met de Italiaanse politie niet de conclusie rechtvaardigen dat Italië zijn verplichtingen tegenover eiser niet zal nakomen. Dit geldt temeer nu eiser heeft aangegeven dat de Italiaanse autoriteiten zelf telefonisch contact met hem hebben opgenomen en hem hebben verzocht in persoon op het politiebureau te verschijnen. [12]
Hoorplicht
8. Tot slot voert eiser aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase en dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond verklaard had mogen worden. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling [13] , waaruit volgt dat het horen van de vreemdeling het uitgangspunt is en er niet lichtvaardig kan worden gesproken over een kennelijk ongegrond bezwaar.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de aangehaalde Afdelingsuitspraak volgt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. De minister mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. Gelet op de motivering van het primaire besluit en op wat door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft de minister in dit geval kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De minister heeft zich namelijk niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser het risico op represailles niet aannemelijk heeft gemaakt en dat in Italië bescherming mogelijk is. Met wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd is dit niet ontkracht. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventuele hoorzitting nog had willen toelichten. De minister heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.
Intrekking verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’ met terugwerkende kracht
9. De rechtbank stelt tot slot vast dat niet in geschil is dat de minister de verblijfsvergunning ‘tijdelijk humanitair’ mocht intrekken, omdat de beperking waaronder deze vergunning is verleend is komen te vervallen met de sepotbeslissing van het OM. Evenmin is in geschil dat de minister de vergunning met terugwerkende kracht mocht intrekken tot het moment waarop niet langer werd voldaan aan de beperking. [14] Eiser heeft dit in beroep namelijk niet expliciet betwist.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.54539.
3.Openbaar Ministerie.
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
6.Dit is geregeld in artikel 3.51, vierde lid, van het Vb gelezen in samenhang met artikel 3.24aa, tweede lid onder f van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en uitgewerkt in paragraaf B9/12 van de Vc.
7.Werkinstructie 2023/5, p. 2.
8.Richtlijn 2011/36 inzake voorkoming en bestrijding van mensenhandel en
9.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1877.
10.Het verbod op marteling, foltering en inhumane behandeling (art. 3) en het verbod op slavernij, dwangarbeid en mensenhandel (art. 4) van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
11.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.
12.Toelichting aanvraag B9 van 10 februari 2025, p. 11.
13.Uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
14.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 10 mei 2017, overweging 44, ECLI:NL:RVS:2017:1252, herhaald in haar uitspraak van 12 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1044.