Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16149

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.31135
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 20 VWEUArt. 3.86 VbArt. 8.22 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging EU-verblijfsrecht wegens gevaar voor openbare orde na drugsdelicten

Eiser, met de Turkse nationaliteit, had rechtmatig verblijf in Nederland als ouder van minderjarige Nederlandse kinderen op grond van EU-recht. Verweerder beëindigde dit verblijfsrecht en legde een inreisverbod van tien jaar op vanwege meerdere veroordelingen voor ernstige drugsdelicten en andere strafbare feiten.

Eiser voerde aan dat er onterecht verblijfsgaten waren aangenomen en dat zijn delicten onvoldoende ernstig waren om het verblijfsrecht te beëindigen. Ook stelde hij dat hij niet gehoord was terwijl hij daarom had verzocht. De rechtbank oordeelde dat eiser ten minste drie keer was veroordeeld en dat de totale onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer was dan veertien maanden, waardoor de glijdende schaal van toepassing was.

De rechtbank vond dat verweerder terecht had vastgesteld dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormde, mede vanwege recidive en het niet nemen van verantwoordelijkheid. De hoorverplichting was terecht niet nagekomen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het EU-verblijfsrecht en oplegging van het inreisverbod bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het EU-verblijfsrecht en het opleggen van een tienjarig inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.31135

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Schaap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. R. van der Straten).

Procesverloop

Op 8 december 2023 en 17 september 2024 heeft verweerder het voornemen geuit om het afgeleid verblijfsrecht van eiser (EU-verblijfsrecht), verleend op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), te beëindigen en een inreisverbod van tien jaar op te leggen. Tegen dit voornemen heeft eiser op 14 oktober 2024 een zienswijze ingediend.
Op 20 november 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij besluit van 9 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder het EU-verblijfsrecht van eiser beëindigd en is tevens een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar.
Bij besluit van 2 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (zaaknummer NL25.31132), op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen W. Woning. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Van 17 september 1999 tot 30 september 2005 en van 16 februari 2007 tot 16 februari 2017 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad bij zijn echtgenote. Bij besluit op bezwaar van 1 december 2017 is de aanvraag om verlenging van dit verblijfsrecht afgewezen. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser wel een verblijfsrecht ontleent aan het EU-recht als ouder van zijn minderjarige kinderen met de Nederlandse nationaliteit (Chavez-Vilchez).
2. Eiser is herhaaldelijk veroordeeld wegens misdrijven. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 27 november 2024 blijkt dat eiser tussen 2008 en 2015 is veroordeeld wegens vernielingen, mishandeling en verduistering. Op 12 juli 2022 is eiser vanwege een ernstig drugsdelict, gepleegd op 14 juni 2017, veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf, waarvan de helft voorwaardelijk. Op 2 mei 2023 is hij opnieuw veroordeeld vanwege een ernstig drugsdelict, gepleegd op 26 oktober 2022, waarvoor hij tot 24 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf is veroordeeld.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder het EU-verblijfsrecht van eiser beëindigd, omdat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Verweerder heeft hiermee toepassing gegeven aan artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), paragraaf B10/2.3 (geldend ten tijde van het besteden besluit) van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) en heeft artikel 3.86 van het Vb analoog toegepast. Omdat eiser ten minste drie keer is veroordeeld, wordt hij gezien als veelpleger en is de glijdende schaal van het vierde en vijfde lid van artikel 3.86 van het Vb van toepassing. Artikel 3.86, tiende lid, van het Vb staat niet aan beëindiging in de weg, omdat eiser voor een Opiumwetmisdrijf is veroordeeld waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld. Artikel 3.86, vijftiende lid, van het Vb staat ook niet aan beëindiging in de weg, omdat eiser volgens verweerder een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Evenmin verzet artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb zich tegen beëindiging. Het besluit is namelijk niet in strijd met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder is uitgegaan van beschermingswaardig familie- en gezinsleven en privéleven in Nederland, maar het belang om de openbare orde te beschermen weegt volgens verweerder zwaarder dan eisers belang om zijn familie-, gezins- en privéleven in Nederland te blijven uitoefenen.
Omdat van eiser een actuele, werkelijk en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving uitgaat, heeft verweerder een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor de duur van tien jaar uitgevaardigd.
Beroepsgronden
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb ten onrechte is uitgegaan van verblijfsgaten van 30 september 2005 tot 16 februari 2007 en van 16 februari 2007 tot 1 december 2007. Ook in deze periodes ontleende eiser een afgeleid EU-verblijfsrecht aan zijn kind(eren) op grond van artikel 20 van Pro het VWEU. Verder is verweerder ten onrechte uitgegaan van rechtmatig verblijf vanaf 1999 in plaats van 1997. Volgens eiser is dit van belang bij de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb. Uitgaande van rechtmatig verblijf vanaf 1997 en zonder verblijfsgaten zou eiser op het moment van het bestreden besluit ruim 28 jaar rechtmatig verblijf hebben gehad in Nederland. Volgens eiser zou dat tot een andere beslissing geleid kunnen hebben.
4.2.
Eiser voert verder aan dat de drugsdelicten waarvoor hij is veroordeeld onvoldoende ernstig van aard zijn om uit te kunnen gaan van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Daarbij verwijst eiser naar de totale gevangenisstraf die aan hem is opgelegd voor de delicten (ruim drie jaar) en de totale duur van zijn rechtmatig verblijf in Nederland.
4.3.
Eiser voert tot slot aan dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gehoord, terwijl hij daar wel om heeft verzocht. Het gaat om verstrekkende besluitvorming waarbij een inbreuk op decennialange uitoefening van familie- en gezinsleven aan de orde is. Eiser doet hierbij een beroep op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4011.
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb, in samenhang gelezen met paragraaf B10/2.3 van de Vc (geldend ten tijde van het bestreden besluit), kan verweerder het EU-verblijfsrecht van een vreemdeling beëindigen om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt (het Unierechtelijk openbare orde-criterium). Verweerder moet in het bijzonder rekening houden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst. Verweerder gaat niet over tot beëindiging van het verblijfsrecht in geval van strafrechtelijke veroordelingen dan wel de tegenwerping van artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag als analoge toepassing van artikel 3.77 of 3.86 van het Vb niet tot verblijfsbeëindiging zou leiden. Bij het ontzeggen of beëindigen van het rechtmatig verblijf op grond van veelvuldig gepleegde lichte strafbare feiten wordt rekening gehouden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade voor de samenleving. Als ondergrens hanteert de verweerder de glijdende schaal voor veelplegers als genoemd in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb.
Op grond van artikel 3.86, vierde lid, van het Vb kan, voor zover van belang, een aanvraag worden afgewezen als de vreemdeling wegens ten minste drie misdrijven bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis een gevangenisstraf of jeugddetentie, een taakstraf of een maatregel als bedoeld in artikel 37a, 38m of 77h, vierde lid, onder a of b, van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd, en de totale duur van de onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelten van die straffen en maatregelen ten minste gelijk is aan de in het vijfde lid bedoelde norm.
De in het vierde lid bedoelde norm bedraagt bij een verblijfsduur van:
[…]
ten minste vier jaar, maar minder dan vijf jaar: 5 maanden;
[…]
ten minste 15 jaar: 14 maanden.
Beoordeling door de rechtbank
Toepassing glijdende schaal
6.1.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser ten minste drie keer is veroordeeld vanwege (ernstige) misdrijven en dat de totale duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die aan hem onvoorwaardelijk is opgelegd langer is dan 14 maanden.
6.2.
Partijen verschillen wel van standpunt over de vraag hoelang eiser onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, wat van belang is bij het toepassen van de glijdende schaal van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb. Eiser meent dat zijn EU-verblijfsrecht door verweerder weliswaar is vastgesteld op 1 december 2017, maar dat dat niet wegneemt dat dit verblijfsrecht eerder is aangevangen. Verweerder had dat moeten vaststellen, aldus eiser.
Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2540, op het standpunt gesteld dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat zijn verblijfsrecht verder teruggaat dan 1 december 2017. Hij zal met concrete gegevens aannemelijk moeten maken dat het EU-verblijfsrecht al eerder bestond dan het moment waarop hij een daarmee verband houdende aanvraag indiende. Eiser is daarin volgens verweerder niet geslaagd, nu hij enkel heeft gesteld dat hij al eerder aanspraak zou maken op een EU-verblijfsrecht, zonder te onderbouwen dat er eerder dan 1 december 2017 sprake was van een afhankelijkheidsverhouding tussen hem en zijn kind(eren). Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een eerder vastgesteld EU-verblijfsrecht eiser hoe dan ook niet zou kunnen baten, omdat ook dan de toepassing van de glijdende schaal niet aan beëindiging van het EU-verblijfsrecht in de weg zou staan.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser voldoet aan de normen van de glijdende schaal zoals gesteld in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb. De totale duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf die aan eiser onvoorwaardelijk is opgelegd, is langer dan 14 maanden. Ook als eiser langer dan vijftien jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, de hoogste trede van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb, voldoet hij aan de in het vierde lid van artikel 3.86 van het Vb bedoelde norm om over te kunnen gaan tot beëindiging van zijn EU-verblijfsrecht. De rechtbank is van oordeel dat eiser – mede gelet op wat hierna wordt overwogen over het openbare ordecriterium- onvoldoende heeft onderbouwd dat de uitkomst anders geweest zou zijn als er geen verblijfsgaten zouden zijn geweest.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Openbare ordecriterium
7.1.
Verweerder dient bij zijn beoordeling of het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, alle feitelijke en juridische gegevens te betrekken die zien op de situatie van de vreemdeling in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals de aard en ernst van dat strafbare feit, de omstandigheden waaronder dat feit is gepleegd en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3579 en het arrest van het Hof van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377. Steunen op een algemene praktijk of vermoeden volstaat daarom niet. Hoe verweerder invulling geeft aan de vijf elementen van het Unierechtelijk openbare orde-criterium is uitgewerkt in de werkinstructie (WI) 2022/12. In de WI staat dat niet exact kan worden aangegeven wanneer een gevaar ‘actueel’ is. Op het moment dat er een besluit wordt genomen moet nog een bedreiging uitgaan van de vreemdeling voor de openbare orde door de aanwezigheid van de vreemdeling. Het risico op nieuwe inbreuken op de openbare orde staat daarbij centraal. De WI benoemt een aantal elementen die kunnen worden betrokken, waaronder het tijdsverloop sinds het laatste gepleegde delict en de gedragingen van de vreemdeling sindsdien; als er sprake is (geweest) van recidive, weegt dat mee bij de beoordeling of er nog sprake is van een actuele bedreiging. Ook verdenkingen en nog niet onherroepelijke veroordelingen zijn relevant voor de beoordeling van de actualiteit. Verder volgt uit de WI dat de ‘ernst’ van de bedreiging niet enkel wordt gebaseerd op het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en de duur van die straf. Ook de aard van het strafbare feit speelt een rol. Zo zullen strafbare feiten als overtredingen en lichte misdrijven in de regel niet als voldoende ernstig worden beschouwd. Indien de vreemdeling veelvuldig is veroordeeld voor licht strafbare feiten en hij om die reden onveiligheid, overlast en maatschappelijke schade teweegbrengt, dan kan er overeenkomstig het arrest Polat [1] en de Richtsnoeren van de Commissie bij de Verblijfsrichtlijn [2] aanleiding bestaan om een gevaar voor de openbare orde aan te nemen. Van belang is echter wel dat aangetoond wordt dat het persoonlijk gedrag van de vreemdeling wijst op een concreet en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser een werkelijke, actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser ten tijde van het nemen van het besluit nog niet lang uit detentie was en nog onder toezicht stond, zodat hij niet als vrij man kan laten zien dat hij zijn leven duurzaam heeft gebeterd. Verder heeft verweerder betrokken dat eiser op 12 juli 2022 is veroordeeld wegens een ernstig drugsdelict en op 6 september 2022 een waarschuwingsbrief heeft ontvangen van verweerder en dat hij desondanks, kort na de waarschuwing en terwijl hij in een proeftijd liep, opnieuw een ernstig drugdelict heeft gepleegd. Eiser heeft weliswaar toegegeven dat hij een grote fout heeft gemaakt door zich in te laten met deze delicten, maar tegelijk heeft eiser geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en zijn daden gebagatelliseerd. Zo heeft eiser verklaard dat hij slechts voor het bezit van drugs is veroordeeld en niet voor de handel in drugs en deze drugs hooguit een paar dagen in huis heeft gehad. Tijdens de hoorzitting met de ambtelijke commissie heeft eiser aangevoerd dat hij in moeilijke omstandigheden zou verkeren door schulden en door het overlijden van zijn vader. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze problemen niet heeft onderbouwd. Voor zover de financiële problemen daadwerkelijk een risicofactor waren, heeft eiser niet aangetoond dat deze problemen nu niet meer aan de orde zijn en dus niet meer als een criminogene factor kunnen fungeren.
7.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gedrag van eiser een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiser tot tweemaal toe is veroordeeld voor een ernstig drugsdelict, waarvoor hij langdurige vrijheidsstraffen heeft opgelegd gekregen. Hiermee heeft eiser een wezenlijke bijdrage geleverd aan de drugshandel en het in stand houden van de negatieve gevolgen voor de samenleving. Gelet op de aard van de delicten heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. De rechtbank ziet – anders dan eiser stelt – geen grond voor het oordeel dat de duur van het rechtmatig verblijf hierbij door verweerder betrokken had moeten worden.
7.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
8.1
Verweerder mag slechts met toepassing van artikel 7:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen in bezwaar afzien. In dit geval heeft verweerder eiser niet gehoord op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb, waaruit volgt dat van het horen kan worden afgezien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Een bezwaar is kennelijk ongegrond als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank wijst voor het toetsingskader verder op de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, waarin wordt benadrukt dat het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftenprocedure en de vuistregel is geformuleerd dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
8.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat eiser daarom niet gehoord hoefde te worden. Weliswaar heeft verweerder in het bestreden besluit slechts zeer summier gemotiveerd waarom het bezwaar van eiser redelijkerwijs niet tot een ander standpunt kon leiden, maar volgens de rechtbank is verweerder daar niet dusdanig in tekortgeschoten dat er sprake is van een gebrek in de besluitvorming. Hierbij acht de rechtbank van belang dat eiser in bezwaar (grotendeels) dezelfde punten heeft aangevoerd als eerder in de zienswijze op het voornemen tot beëindiging van het EU-verblijfsrecht en tijdens de hoorzitting bij de ambtelijke commissie (waar hij onder meer heeft verklaard over zijn gezinsomstandigheden). Verweerder is hier in het primaire besluit reeds voldoende gemotiveerd op ingegaan. Dat geldt zowel voor de stelling dat eiser niet voldoende gewaarschuwd zou zijn door verweerder voor de gevolgen van zijn strafrechtelijk handelen voor zijn verblijfsrecht, als voor de stelling dat de kinderen hun vader nodig hebben. Voor wat betreft de stelling dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van verblijfsgaten heeft de rechtbank in rechtsoverweging 6.3 al geoordeeld dat dit sowieso niet kan leiden tot een ander oordeel. Een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4011, kan eiser niet baten, omdat de omstandigheden in die zaak niet vergelijkbaar waren met de omstandigheden van eiser. Eiser heeft gedurende de besluitvormingsprocedure nagelaten zijn stellingen te onderbouwen en geen stukken daartoe ingebracht. Zijn bezwaargronden zijn primair gericht op de berekening van zijn verblijfsduur, terwijl niet in geschil is dat zijn verblijfsrecht ook kan worden beëindigd indien geen sprake zou zijn van verblijfsgaten en eiser langer dan vijftien jaar onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Hoewel het gaat om verstrekkende besluitvorming waarbij een inbreuk op decennialange uitoefening van familie- en gezinsleven aan de orde is, maken deze omstandigheden tezamen dat verweerder in dit geval van horen in bezwaar af heeft kunnen zien.
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, voorzitter, en mr. E.C. Harting en mr. Y.E. Schuurmans, leden, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
In verband met afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak getekend door
mr. E.C. Harting.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 oktober 2007, zaak C-349/06.
2.Richtsnoeren voor een betere omzetting van Richtlijn 2004/38/EEG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden. van de Europese Commissie uit 2009, COM (2009) 313.