Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15765

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
NL25.57041 en NL25.57042
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ondertekende vertrekverklaring bij asielprocedure

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, diende een tweede asielaanvraag in op grond van zijn biseksuele gerichtheid, welke door de minister werd afgewezen wegens gebrek aan geloofwaardigheid. Na ontvangst van de afwijzing ondertekende eiser op 8 december 2025 een vertrekverklaring van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), waarin hij verklaarde vrijwillig Nederland te verlaten en instemde met beëindiging van openstaande verblijfsprocedures.

De rechtbank oordeelt dat door deze ondertekening eiser in beginsel geen belang meer heeft bij zijn beroep, hetgeen vaste jurisprudentie bevestigt. Ondanks dat eiser op de zitting verklaarde nooit daadwerkelijk te willen vertrekken en onder druk te zijn gezet door de Dienst Terugkeer en Vertrek, blijft de ondertekende verklaring bindend. Eiser gaf ook aan zelf een plan te hebben bedacht om de verklaring te ondertekenen zonder daadwerkelijk te vertrekken.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af, aangezien het beroep is beslist. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Eiser is gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege ondertekende vertrekverklaring; het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.57041 (beroep)
NL25.57042 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser 1],

geboren op [geboortedag] 1999, van Algerijnse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser (gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) zou het beroep, tezamen met de voorlopige voorziening, op 24 maart 2026 hebben behandeld. De zaak is aangehouden voor de zitting zodat die gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld kon worden met nog een beroep en voorlopige voorziening van eiser van een opvolgende aanvraag.1
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft vervolgens het beroep, tezamen met de voorlopige voorziening, op 20 april 2026 op zitting behandeld. Ook zijn zaaknummers NL25.62547 en NL25.62548 op zitting behandeld. Deze zijn op zitting aangehouden, omdat eiser op zoek wil gaan naar een nieuwe gemachtigde in die zaken. Eiser is verschenen, zijn gemachtigde heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld. Als tolk is verschenen mevrouw H. Ball-Ponne in de taal Arabisch (Algerijns). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1 Zaaknummers: NL25.62547 en NL25.62548.
Na afloop van de behandeling van de zaken op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.57041:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.57042:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Deze zaak gaat over de tweede asielaanvraag van eiser. Hij heeft aan deze asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft vanwege zijn biseksuele gerichtheid. Dit acht de minister niet geloofwaardig. Daarom heeft de minister de asielaanvraag op 13 november 2025 ook afgewezen.
3. Nadat eiser de afwijzende beschikking had ontvangen, heeft hij op 8 december 2025 een vertrekverklaring van de IOM2 ingevuld. In die verklaring staat dat hij op die dag vrijwillig zal vertrekken naar Algerije. Op de vertrekverklaring staat een uitreisstempel van het Schengengebied. Ook staat er:
“Met de ondertekening van deze verklaring verklaar ik het volgende. Ik verlaat Nederland vrijwillig. Ik stem ermee in dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd”.
4. De instemming dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij zijn beroep. Dit blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling.3 Het beroep is daarom niet ontvankelijk. De aangevoerde omstandigheden van eiser maken dit ook niet anders. Eiser heeft op de zitting dan wel aangegeven nooit van plan te zijn te vertrekken, maar altijd al van plan te zijn niet op het vliegtuig te stappen en weer terug te keren naar Nederland. Dit maakt het niet anders, omdat eiser nog steeds de verklaring van het IOM heeft ondertekend waarmee hij heeft onderkend dat zijn openstaande procedures worden beëindigd. Bovendien heeft het plan van eiser niet gewerkt. Vervolgens heeft eiser gesteld dat hij onder druk is gezet door DTV4 om terug te keren naar Algerije. Alleen eiser heeft ook gezegd dat het IOM hem niet onder druk heeft gezet, maar dat hij zelf een plan had bedacht om de IOM-verklaring te ondertekenen en niet te
2 Internationale Organisatie voor Migratie.
3 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2930, van 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014, en
van 18 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:797.
4 Dienst Terugkeer en Vertrek.
vertrekken. Eiser heeft vervolgens ook de verklaring ondertekend en dus getekend voor het beëindigen van zijn procedure. Dit maakt het oordeel dus ook niet anders.
5. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
7. Op de zitting is eiser gewezen op de rechtsmiddelenclausule zoals hieronder beschreven.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 20 april 2026 door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: