Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:797

Raad van State

Datum uitspraak
18 maart 2022
Publicatiedatum
18 maart 2022
Zaaknummer
202001985/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 10 april 2018 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens de procedure gaf de staatssecretaris aan dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie Nederland vrijwillig had verlaten en op 11 januari 2021 een vertrekverklaring had ondertekend. Hierdoor zijn de verblijfsrechtelijke procedures beëindigd en ontbreekt het belang van de vreemdeling bij voortzetting van het hoger beroep.

De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat de vreemdeling geen belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep. De argumenten van de gemachtigde konden dit niet veranderen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang na vrijwillig vertrek uit Nederland.

Uitspraak

202001985/1/V2.
Datum uitspraak: 18 maart 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2020 in zaak nr. 19/4567 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 7 juni 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 27 februari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.G. Kleijweg, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat de vreemdeling met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) uit Nederland is vertrokken. Met de ondertekening van de vertrekverklaring op 11 januari 2021 heeft de vreemdeling ermee ingestemd dat de verblijfsrechtelijke procedures worden beëindigd. Niet is gebleken dat de vreemdeling deze verklaring niet vrijwillig heeft ondertekend. Daarom heeft de vreemdeling geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. Wat de gemachtigde van de vreemdeling hierover naar voren heeft gebracht, is geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Zwinkels
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022
309-987