ECLI:NL:RVS:2018:4014
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ontvankelijkheid hoger beroep tegen inreisverbod na vertrekverklaring
De vreemdeling, afkomstig uit Mongolië, diende een asielaanvraag in die door de staatssecretaris werd afgewezen en waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten niet-ontvankelijk. Tijdens het hoger beroep ondertekende de vreemdeling een vertrekverklaring om vrijwillig terug te keren naar zijn land van herkomst met IOM-assistentie, waarna hij daadwerkelijk vertrok.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat door de ondertekening van deze vertrekverklaring het belang bij het hoger beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is komen te vervallen, waardoor dit deel van het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Echter, de verklaring vermeldt uitdrukkelijk dat procedures tegen het inreisverbod niet worden ingetrokken, zodat het hoger beroep tegen het inreisverbod ontvankelijk blijft.
De Afdeling vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover deze het hoger beroep tegen het inreisverbod niet-ontvankelijk verklaarde en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling van het inreisverbod. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €501,00 aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de asielafwijzing is niet-ontvankelijk, het hoger beroep tegen het inreisverbod is ontvankelijk en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.