ECLI:NL:RBDHA:2026:15563

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
NL26.7481 en NL26.7482
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken procesbelang

Eiser heeft op 27 januari 2026 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 10 februari 2026 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.

De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 1 juni 2026. Tijdens de zitting bleek dat eiser niet aanwezig was en dat zijn gemachtigde geen recent contact met hem had, noch wist waar eiser verbleef. De minister stelde dat hierdoor het procesbelang ontbrak.

De rechtbank overwoog dat wanneer een vreemdeling die bescherming zoekt in Nederland met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te informeren, in beginsel wordt aangenomen dat hij geen prijs meer stelt op de bescherming. Aangezien geen recent contact was en eiser niet verscheen, concludeerde de rechtbank dat het procesbelang ontbrak.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.7481 (beroep)
NL26.7482 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,geboren op [geboortedag] 1996, van Marokkaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna: eiser,
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. R. Helmus).

Inleiding

1.1.
Eiser heeft op 27 januari 2026 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening.
1.2.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
2.1.
De rechtbank ziet zich in het kader van de ontvankelijkheid van het beroep ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser nog procesbelang heeft. Eiser was niet aanwezig bij de behandeling van zijn beroep en bij aanvang van de zitting heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar eiser momenteel verblijft. Het contact met eiser is volgens de gemachtigde sinds de opheffing van de bewaringsmaatregel van eiser verbroken. De minister heeft daarop ter zitting het standpunt ingenomen dat het procesbelang ontbreekt, nu niet is gebleken dat eiser nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde en eiser bovendien niet ter zitting is verschenen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en overweegt daartoe het volgende. Als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, moet er in beginsel van uit worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als uit recente informatie van zijn of haar gemachtigde volgt dat er nog contact wordt onderhouden met de vreemdeling over de procedure. [1]
2.3.
Nu niet is gebleken van recent contact tussen eiser en zijn gemachtigde, eiser niet bij de behandeling van het beroep op de zitting is verschenen en de minister niet heeft laten weten waar hij verblijft, komt de rechtbank tot het oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de in Nederland gezochte bescherming. Gelet hierop heeft eiser geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van zijn beroep en zal de rechtbank eiser in zijn beroep niet-ontvankelijk verklaren.

Conclusie

3. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk.
4. Nu het beroep van eiser niet-ontvankelijk is, bestaat er geen aanleiding om het verzoek tot een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
5. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.7481:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.7482:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de uitspraak op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579, 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662 en 10 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4049.