Eiser maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2021 waarin zijn levenslooptegoed van €94.055,42 werd belast. Hij stelde dat de uitkering ten onrechte in 2021 werd belast en dat dit leidde tot schending van het Eerste Protocol EVRM, het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat het fictieve genietingsmoment op 1 november 2021, zoals neergelegd in artikel 39d Wet LB, correct is toegepast. De belastingheffing is voorzienbaar en niet in strijd met het eigendomsrecht of het gelijkheidsbeginsel. De coronapandemie en de relatie met de werkgever zijn geen bijzondere omstandigheden die afwijking van de wet rechtvaardigen.
Daarnaast is vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsfase langer dan de redelijke termijn heeft geduurd, met een overschrijding van circa twee jaar in de bezwaarfase. Daarom wordt verweerder veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €2.000. Het beroep wordt verder ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.