Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG
Uitspraak van 11 juni 2024
[X] te [Z] , belanghebbende,
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
Procesverloop
Feiten
Oordeel van de Rechtbank
Wettelijk kader
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende heeft drie levenslooptegoeden opgebouwd bij een verzekeraar en maakte bezwaar tegen de inhouding van loonheffing over deze tegoeden in november 2021. De Inspecteur wees het bezwaar af en de Rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende ging in hoger beroep.
Het geschil betrof de vraag of de loonheffing terecht en correct was ingehouden, mede gelet op het fictieve genietingsmoment van 1 november 2021 zoals neergelegd in artikel 39d, vierde lid, Wet LB. Het Gerechtshof overweegt dat het fictieve genietingsmoment voorrang heeft op het feitelijke genietingsmoment en dat de inhouding in november 2021 tijdig en juist was. Ook is de verzekeraar inhoudingsplichtige volgens de wet, ondanks dat de contracten waren overgenomen.
Verder oordeelt het hof dat de wetgeving, inclusief de wijzigingen door de Wet Overige fiscale maatregelen 2021, voldoende duidelijk, voorzienbaar en rechtmatig is en geen strijd oplevert met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De toepassing van een tarief van 49,5% zonder verrekening van levensloopverlofkorting is binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever en wordt gerechtvaardigd door praktische en fiscale overwegingen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de loonheffing over de levensloopregeling is terecht ingehouden.