Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:15002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25371
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrechtVerordening (EU) nr. 604/2013Artikel 17 DublinverordeningArtikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, diende op 6 januari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat België volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat zijn individuele ervaringen in België, waaronder gebrek aan huisvesting en angst voor geweld, onvoldoende zijn meegewogen en dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening had moeten plaatsvinden.

De rechtbank overwoog dat België in beginsel verantwoordelijk is en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgaat dat lidstaten hun verplichtingen nakomen. Hoewel eerdere jurisprudentie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen beperkingen in opvang in België constateerde, is volgens de rechtbank op basis van recente informatie van Belgische autoriteiten weer toegang tot opvang mogelijk.

De rechtbank concludeerde dat de individuele omstandigheden van eiser geen reden geven om het vertrouwensbeginsel te doorbreken en dat er geen aanwijzingen zijn dat overdracht naar België leidt tot schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Ook is geen aanleiding om de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25371

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. Z.M. Alaca),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 6 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. [3] Op grond van de Dublinverordening neemt verweerder een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [4] In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om terugname gedaan. België heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert daartegen aan dat verweerder in het besteden besluit onvoldoende eisers individuele ervaringen in België heeft meegenomen in de beoordeling of overdracht van eiser aan België leidt tot een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest. [5] Eiser heeft verklaard dat hij in België geen huisvestiging had, na afwijzing van zijn aanvraag op straat heeft moeten slapen en dat hij uit angst is vertrokken uit België omdat hij had vernomen dat een asielzoeker door de Belgische politie zou zijn vermoord. Verweerder heeft gelet hierop evenmin voldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Vaststaat dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Uitgangspunt is verder dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel van uit wordt gegaan dat de EU-lidstaten hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 23 juli 2025 over Dublinoverdrachten aan België geoordeeld dat voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan, omdat zij geen toegang hadden tot opvangvoorzieningen. Verweerder heeft met zijn verwijzing in het bestreden besluit naar de brief van 5 februari 2026 van de Belgische autoriteiten voldoende gemotiveerd dat alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten feitelijk weer toegang hebben tot een (nood)opvangplaats in België. Gelet hierop is voor bedoelde uitzondering op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in het geval van België geen aanleiding meer.
5. Ten aanzien van eisers gestelde ervaringen in België heeft verweerder terecht geconcludeerd dat deze geen reden zijn om niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel wordt immers aangenomen dat eiser in België kan klagen indien de Belgische autoriteiten tekortschieten in de naleving van hun verplichtingen tegen over eiser. Niet is gebleken dat dit voor eiser niet mogelijk is of zinloos. Aldus is niet aannemelijk geworden dat overdracht van eiser naar België zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest.
6. Verweerder heeft ook voldoende gemotiveerd overwogen dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening door de asielaanvraag van eiser onverplicht inhoudelijke te beoordelen. Door eiser is ook in dit verband gewezen op zijn gestelde slechte ervaringen in België. Eisers verklaringen hierover zijn beoordeeld bij de vraag of er aanwijzingen zijn dat België zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 [6] is er geen aanleiding voor een beoordeling van dezelfde omstandigheden bij de vraag of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn die maken dat overdracht van eisers van een onevenredige hardheid getuigt.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 4 juni 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
6.ECLI:NL:RVS:2014:3164. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.