Eisers, allen van Afghaanse nationaliteit, dienden een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf als familie- of gezinslid bij een referent. De minister wees deze aanvraag af in een besluit van 23 januari 2024. De rechtbank behandelde het beroep op 17 september 2025 en deed op 20 november 2025 een tussenuitspraak waarin de minister werd verzocht de geconstateerde gebreken te herstellen.
De minister maakte gebruik van deze mogelijkheid en nam op 29 december 2025 een aanvullend besluit. De rechtbank oordeelde echter dat dit besluit de gebreken niet herstelde, omdat de minister niet uitging van het beschermingswaardige gezinsleven dat de rechtbank in de tussenuitspraak had vastgesteld. Hierdoor was het beroep gegrond en werd het bestreden besluit vernietigd.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat de redelijke termijn voor de procedure met 17 maanden was overschreden. De overschrijding werd toegerekend aan zowel de rechtbank als de minister, waarbij de minister verantwoordelijk werd gehouden voor 13 maanden en de rechtbank voor 4 maanden. Eisers kregen een schadevergoeding van €1.500,- toegekend, waarvan €1.147,06 door de minister en €352,94 door de Staat werden betaald. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan eisers vergoed.