Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
1.DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP),
2.
STICHTING KONINKLIJK KABINET VAN SCHILDERIJEN MAURITSHUIS,
1.Waar gaat deze zaak over?
2.De procedure
3.De feiten, in de hoofdzaak en in het incident
testament 17 juni 1926,voor zover van belang opgenomen, dat hij de schilderijen aan de Staat legateert ter plaatsing in het Mauritshuis, dat ze tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd. Voor het geval de Staat der Nederlanden te zijner tijd een of beide dezer voorwaarden niet mocht nakomen legateert hij deze schilderijen aan de gemeente ’s-Gravenhage.
testament van 22 juni 1929heeft [erflater] aanvullend bepaald dat hij aan het legaat nog de voorwaarde verbindt dat de gelegateerde schilderijen die reeds thans in het Mauritshuis zijn geplaatst nimmer daaruit verwijderd zullen worden tenzij dit tengevolge van een grote verbouwing onvermijdelijk zou zijn. Als de Staat de voorwaarden niet aanvaardt of niet alle nakomt, legateert [erflater] de schilderijen aan de gemeente Amsterdam onder de voorwaarde dat de schilderijen zullen worden geplaatst en blijven geplaatst in het Stedelijk Museum aldaar. Als de gemeente Amsterdam de voorwaarden niet aanvaardt of in strijd daarmee handelt, zullen de erfgenamen het recht hebben de schilderijen terug te vorderen.
testament van 27 juli 1934heeft [erflater] , voor zover van belang, bepaald dat hij aan de Staat legateert ter plaatsing in het Mauritshuis de genoemde schilderijen onder de uitdrukkelijke voorwaarden dat deze schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling, ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd, tenzij dit ten gevolge van een grote verbouwing of herstelling onvermijdelijk zou zijn en dat de Staat zich tegenover de erfgenamen en verdere rechtverkrijgenden voor de aanvaarding van het legaat schriftelijk tot vervulling van deze voorwaarde verbindt.
testament van 19 juni 1936heeft [erflater] , voor zover van belang, bepaald dat de schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd tenzij dit door een grote verbouwing onvermijdelijk zou zijn en dat er reeds een overeenkomst bestaat met de regering [zie hierna onder 3.11, rb] die zich heeft verplicht de schilderijen nooit te verzenden naar tentoonstellingen als zij het geschenk aanvaard heeft. In het geval de Staat de gestelde voorwaarden niet aanvaardt, legateert [erflater] de schilderijen aan de Gemeente Amsterdam onder dezelfde voorwaarden. Als ook de gemeente Amsterdam de voorwaarden niet aanvaardt of deze schendt, dan vervalt het legaat en zullen de erfgenamen het recht hebben alle gelegateerde schilderijen terug te vorderen.
4.Het geschil
5.De beoordeling
onder A, een erfrechtelijke verhouding) van toepassing zijn, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe op grond van het bepaalde in art. 3 sub a Rv Pro., aangezien [eisers] in Nederland woonachtig zijn. [eiser 1] had deze kwestie in principe bij verzoekschrift aan de rechtbank moeten voorleggen, zie daarover meer hierna in r.o. 5.36. Voor wat betreft de door [eisers] ingestelde vordering
onder Bgeldt dat deze zozeer met de vordering tot vervallenverklaring samenhangt dat ook daaromtrent de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
onder Aen de nauw daarmee samenhangende vordering
onder Bwordt dus huidig geldend Nederlands recht toegepast. Voor toepassing van oud BW is (ook al gaat het om een testament uit 1944) geen plaats. Uit de aard der zaak kan een op dit moment niet geldende Nederlandse regeling geen
voorrang claimenboven toepasselijk [land] recht.
ils devront rester exposés exclusivement dans ledit Musée’niet zo klip en klaar dat de rechtbank niet aan uitleg daarvan toekomt. Er is enige ruimte voor onzekerheid over de betekenis van de bewoordingen van dat legaat. Er kan immers, zo blijkt alleen al uit de in deze procedure ingenomen uiteenlopende standpunten, onduidelijkheid bestaan over de exacte omvang van de last. [eiser 1] meent dat de last een absolute tentoonstellingsplicht en een verplaatsingsverbod inhouden. De Staat betoogt dat de last zo moet worden uitgelegd dat, indien werken uit het legaat van [erflater] tentoon worden gesteld, zij tentoongesteld moeten worden in het gebouw waarin zich de collectie van het Mauritshuis bevindt.
daar hunne plaatsen door betere stukken konden worden ingenomen’.[erflater] was er vanzelfsprekend mee bekend dat wetenschappelijke inzichten nieuw licht zouden kunnen werpen op de herkomst, toeschrijving en kunsthistorische waarde van schilderijen, nog los van de door de jaren heen veranderende opinie en smaak. Ook dit kan nopen tot andere keuzes voor wat betreft de presentatie van de collectie, en dat was al in de tijd van [erflater] als museumdirecteur het geval. Het standpunt van [eisers] dat [erflater] juist daarom met de bewoordingen in de last zou hebben willen zeker stellen dat juist deze stukken wél steeds op zaal moesten hangen overtuigt de rechtbank niet, omdat, als overwogen in r.o. 5.11, die bewoordingen op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd.
externdepot gebruik is of wordt gemaakt. Namens de Staat is te kennen gegeven dat men - gezien de uitleg die de familie [eiser 1] geeft aan de last - gebruik van een extern depot niet aandurft. De onder 1 en 2 gestelde schendingen gaan niet op.
dans ledit Musée’zo worden uitgelegd dat de in 3.3 genoemde schilderijen moeten worden opgehangen in het gebouw dat bestemd is om de vaste collectie van het Mauritshuis te tonen. [erflater] wilde kennelijk vooral dat zijn schilderijen tot de collectie van het Mauritshuis zouden behoren. Dit volgt uit de omstandigheid dat hij - blijkens zijn testamenten - steeds heeft beoogd de schilderijen aan het Mauritshuis te legateren en rijmt ook met de specifiekere clausules die hij in zijn eerdere testamenten opnam (zie bijvoorbeeld in het testament van 19 juli 1936, in r.o. 3.10 dat de
schilderijen tentoongesteld moeten blijven in het Mauritshuis als deel van de verzameling ook al mocht een ander deel van de verzameling naar een andere plaats worden vervoerd, tenzij dit ten gevolge van een grote verbouwing of herstelling onvermijdelijk zou zijn”).[erflater] had kennelijk begrip voor verplaatsing van schilderijen wegens verbouwing of herstel van het Mauritshuis en wilde vooral verplaatsing wegens bruikleen vanwege de daarmee gepaard gaande risico’s (zie ook r.o. 5.14) voorkomen. Uit deze specifiekere clausules volgt niet dat als de Staat een deel van de vaste collectie van het Mauritshuis in een dependance tentoon zou willen stellen dit niet zou zijn toegestaan.
kraamkamer’van het Mauritshuis aangeduid. De Staat heeft onweersproken gesteld dat de gebouwen van de Galerij en het Mauritshuis beide eigendom zijn van de Staat. Verder heeft de Staat, tegenover de betwisting door [eiser 1] , voldoende onderbouwd dat het Mauritshuis en de Galerij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en dat de Galerij organisatorisch en qua beheer onderdeel uitmaakt van en een dependance is van het Mauritshuis. Voldoende gebleken is dat deze situatie statutair verankerd is. Dit volgt bijvoorbeeld uit artikel 3.1 van de meest recente akte van statutenwijziging van de Stichting:
“De stichting heeft ten doel het instandhouden, beheren en wetenschappelijk bewerken van de collectie van het Mauritshuis en de Galerij Prins Willem V, alsmede het beheer van de gebouwen Mauritshuis en Galerij Prins Willem V, waarin de collecties zijn gehuisvest, ten einde nu en in de toekomst, met en door middel van die collectie, in die gebouwen de bezoeker te informeren, te onderwijzen en een visueel genot te schenken, en al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.” Vaststaat verder dat schilderijen uit de vaste collectie van het Mauritshuis in de Galerij hangen. Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de last niet is geschonden, doordat er tot het legaat behorende schilderijen in de Galerij hebben gehangen. Hieraan doet niet af dat de hoofdconservator van het Mauritshuis, de heer [naam 7] , blijkens een artikel in Trouw d.d. 28 juni 2011 heeft verklaard
“In het testament staat dat de werken alleen door het Mauritshuis mogen worden tentoongesteld. Daarom hangt dit werk nu ook niet in de Galerij”Deze uiting is voor de uitleg van de last niet relevant. Hieruit volgt immers niet wat erflater [erflater] bij het opmaken van zijn testament voor ogen heeft gestaan.
onder Agevorderde (vervallenverklaring van het legaat) bestaat geen grond. De daarop voortbouwende vordering
onder B(afgifte van de schilderijen aan [eiser 1] ) wordt hierom eveneens afgewezen. Gelet op deze oordelen komt de rechtbank niet toe aan het verweer van de Staat dat [eiser 1] niet in zijn vordering tot afgifte kan worden ontvangen omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding met (de rechtsopvolger(s)) van [naam 4] .
fishing expedition. [eiser 1] heeft bij de gevorderde stukken bovendien geen rechtmatig belang. Hij heeft zijn vordering gebaseerd op door de rechtbank onjuist bevonden uitgangspunten omtrent de betekenis en de uitleg van de testamentaire last (zoals de gestelde absolute tentoonstellingsplicht, het gestelde verplaatsingsverbod en het gestelde depotverbod). Dat er schilderijen van het in 3.3 genoemde legaat in depot worden gehangen is op zichzelf toegestaan en ook dat ze in de Galerij worden opgehangen. De vorderingen van [eiser 1] zijn hiermee goeddeels gebaseerd op een uitleg van de last die de rechtbank niet volgt. Bij de gevraagde stukken heeft [eiser 1] in zoverre geen belang.