ECLI:NL:RBDHA:2026:14743
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Kroatië
Eiser, een Soedanese asielzoeker, diende op 12 december 2025 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer geldt ten aanzien van Kroatië vanwege zijn negatieve ervaringen daar, waaronder detentie, mishandeling en pushbacks.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. De rechtbank weegt mee dat eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak bevestigen dat Kroatië geen structurele tekortkomingen vertoont die het vertrouwensbeginsel ondermijnen.
Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, de discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag toch in behandeling te nemen, wordt verworpen. De rechtbank stelt dat de bijzondere omstandigheden die eiser aanvoert reeds zijn meegewogen bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel en dat eiser geen medische of andere onderbouwing heeft geleverd die een onevenredige hardheid zou rechtvaardigen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 1 juni 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.