ECLI:NL:RBDHA:2026:14740
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens schending IVBPR en EVRM
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende persoon, kreeg een verblijfsvergunning voor verblijf bij familie. De minister trok deze vergunning met terugwerkende kracht in en weigerde een wijziging van de verblijfsdoelstelling. Eiser stelde dat hem een verblijfsrecht toekomt op grond van artikel 12, vierde lid, van het IVBPR en artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelt dat artikel 12, vierde lid, IVBPR een onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig recht is met rechtstreekse werking, waardoor de minister dit had moeten toetsen. Ook is de beoordeling van artikel 8 EVRM Pro onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. Daarnaast is de hoorplicht geschonden doordat de minister het bezwaar kennelijk ongegrond verklaarde zonder eiser te horen.
De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op binnen acht weken nieuwe besluiten te nemen, waarbij de rechten van eiser op grond van het IVBPR en EVRM volledig moeten worden betrokken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten tot intrekking en weigering wijziging van de verblijfsvergunning en draagt de minister op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van artikel 12 IVBPR en artikel 8 EVRM.